Centrale Raad van Beroep, 27-12-2011 / 09-5551 WWB


ECLI:NL:CRVB:2011:BV0092

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding? Het College heeft onvoldoende andere feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat appellante en haar vriend in zorg voor elkaar voorzien.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-12-27
Publicatiedatum
2012-01-05
Zaaknummer
09-5551 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/5551 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 31 augustus 2009, 09/575, 09/576 en 09/577 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen (hierna: College)


Datum uitspraak: 27 december 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. D.J. Bomhof, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2011. Voor appellante is mr. F. Hofstra, kantoorgenote van mr. Bomhof, verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H.G. de Jong, werkzaam bij de gemeente Achtkarspelen.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante ontving sinds 1 oktober 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2. Naar aanleiding van een melding dat appellante, na afloop van de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006, waarin zij van het College in verband met haar gezondheidstoestand tijdelijk toestemming had om met behoud van haar uitkering samen te wonen met haar vriend [naam vriend], nog steeds met hem zou samenwonen op diens adres [adres 1] te [woonplaats], hebben medewerkers van de gemeente Achtkarspelen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft een dossieronderzoek plaatsgevonden, zijn waarnemingen bij haar woning verricht, is een buurtonderzoek ingesteld, heeft een huisbezoek plaatsgevonden en is appellante gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in de rapportage van 18 april 2008. Samengevat komt hierin naar voren dat appellante de situatie van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 ongewijzigd heeft laten voortduren zonder dit te melden aan het College.


1.3. Op grond van deze rapportage heeft het College bij besluit van 23 april 2008 de bijstand met ingang van 1 april 2008 geblokkeerd. Vervolgens heeft het College bij besluit van 19 mei 2008 de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2006 ingetrokken en bij besluit van 29 mei 2008 van haar een bedrag van € 18.148,68 teruggevorderd aan gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juli 2006 tot

1 april 2008.


1.4. Bij besluit van 3 februari 2009 heeft het College het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard voor zover het de blokkering van de bijstand betreft en ongegrond verklaard met betrekking tot de intrekking van de bijstand. Bij besluit van 2 april 2009 heeft een rectificatie van dit besluit plaatsgevonden, in die zin dat het College van mening is dat appellante, door niet aan het College te melden dat zij een gezamenlijke huishouding voert, de in artikel 17 van de WWB genoemde inlichtingenverplichting heeft geschonden. Daarin is door het College vermeld dat de ongegrondverklaring van het bezwaar tevens betrekking heeft op het primaire besluit waarbij de bijstand is teruggevorderd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen de besluiten op bezwaar met betrekking tot de blokkering, intrekking en terugvordering ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft zij, samengevat, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte voldoende aanknopingspunten aanwezig heeft geacht voor een gezamenlijke huishouding tussen appellante en [naam vriend].


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Allereerst stelt de Raad naar aanleiding van het verhandelde ter zitting vast dat het hoger beroep zich uitsluitend richt tegen het oordeel van de rechtbank over de intrekking en de terugvordering van de bijstand over de periode van 1 juli 2006 tot 1 april 2008. De Raad zal zijn beoordeling daartoe beperken.


4.2. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.


4.4. Het criterium waaraan in ieder geval ook moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.


4.5. De Raad zal eerst bezien of in de periode in geding sprake is geweest van wederzijdse zorg voor elkaar. Uit de eigen verklaring van appellante van 2 april 2008 blijkt alleen dat zij en [naam vriend] gezamenlijk boodschappen doen, waarbij ze apart van elkaar betalen. Voorts verklaart appellante dat [naam vriend] wel eens dingen voor haar betaalt. Het door het College ingenomen standpunt, dat er in de in geding zijnde periode sprake zou zijn geweest van wederzijdse zorg, deelt de Raad niet. Noch uit de verklaring van appellante noch uit andere onderzoeksbevindingen van het College blijkt van enige financiële verstrengeling tussen appellante en [naam vriend]. Het College heeft voorts onvoldoende andere feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat appellante en [naam vriend] in zorg voor elkaar voorzien. Er is weliswaar sprake van zorg van [naam vriend] voor appellante, waarbij [naam vriend] voldaan heeft aan de zorgvraag van appellante, maar de omgekeerde situatie, namelijk dat appellante op enigerlei wijze heeft voorzien in de zorg voor [naam vriend], is louter voorondersteld en verder niet aannemelijk gemaakt. De Raad wijst erop dat de gemachtigde van het College ter zitting desgevraagd heeft erkend dat het aspect van de wederzijdse zorg verder niet is uitgezocht.


4.6. Nu niet voldaan is aan de het criterium van wederzijdse zorg, is in de periode in geding geen sprake geweest van een gezamenlijke huishouding. De vraag of sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf in de woning van [naam vriend] behoeft daarom geen beantwoording meer.


4.7. Uit het voorgaande volgt dat de intrekking van de bijstand van appellante over de periode in geding niet op een deugdelijke motivering berust. Hetzelfde geldt voor de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over die periode. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de besluiten van 3 februari 2009 en 2 april 2009 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. Aan de besluiten van 19 mei 2008 en 29 mei 2008 kleeft hetzelfde gebrek. De Raad acht het, mede gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk dat dit gebrek nog kan worden hersteld. De Raad ziet dan ook aanleiding om gebruik te maken van zijn bevoegdheid en van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien om met toepassing de besluiten van 19 mei 2008 en 29 mei 2008 te herroepen.


5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 966,-- in bezwaar, € 644,-- in beroep en € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal derhalve € 2.484,--.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt de besluiten van 3 februari 2009 en 2 april 2009;

Herroept de besluiten van 19 mei 2008 en 29 mei 2008;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.484,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 151,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2011.


(get.) C. van Viegen.


(get.) E. Heemsbergen.


Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.


IJ