Centrale Raad van Beroep, 27-12-2011 / 10/3203 WWB + 10/3204 WWB + 10/5891 WWB


ECLI:NL:CRVB:2011:BV0110

Inhoudsindicatie
Intrekking en (mede)terugvordering bijstandsuitkering. Anders dan de rechtbank is de Raad met appellante van oordeel dat er onvoldoende feitelijke grondslag is om een gezamenlijke huishouding aan te nemen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2011-12-27
Publicatiedatum
2012-01-05
Zaaknummer
10/3203 WWB + 10/3204 WWB + 10/5891 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/3203 WWB

10/3204 WWB

10/5891 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 mei 2010, 09/2333 en 09/2745 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)


Datum uitspraak: 27 december 2011


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaken met 11/401 WWB en 11/889 WWB, plaatsgevonden op 15 november 2011. Appellante is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen, werkzaam bij de gemeente Nijmegen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting is de behandeling van de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante, die vanaf 11 april 2006 woonachtig is aan de [adres 1] te [gemeente 1], is van 12 september 1991 tot 29 november 1999 getrouwd geweest met [O.] (hierna: [O.]) uit welke relatie kinderen zijn geboren. Zij heeft na de scheiding korte tijd bijstand ontvangen, is nadien gaan werken en is uiteindelijk in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. [O.], die in sinds 15 januari 2004 de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: GBA) is ingeschreven op het adres [adres 2] te [gemeente 1], heeft vanaf 6 mei 2003 tot en met 2 november 2008 over een aantal perioden bijstand ontvangen, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB), naar de norm voor een alleenstaande.


1.2. Naar aanleiding van een onderzoek door een fraudepreventiemedewerker, op grond van welk onderzoek het vermoeden bestond dat [O.] niet op het door hem opgegeven adres verbleef, heeft de Afdeling Sociale Zaken en Werk Nijmegen nader onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van [O.]. Er is onder meer dossieronderzoek verricht, de GBA is geraadpleegd, buurtbewoners zijn gehoord en appellante en [O.] zijn verhoord. De resultaten van het onderzoek, neergelegd in een rapportage van 19 december 2008, zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van gelijke datum de bijstand van [O.] over de periode van 6 mei 2003 tot en met 2 november 2008 in te trekken, de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 65.419,18 van hem terug te vorderen en bij separaat besluit van 19 december 2008 mede terug te vorderen van appellante.


1.3. Hangende het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar heeft het College bij besluit van 22 juni 2009 het bezwaar van appellante gericht tegen het besluit van 19 december 2008 onder aanpassing van de motivering ongegrond verklaard.


2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 22 juni 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft overwogen dat voor het aannemen van een gezamenlijk huishouding tussen appellante en [O.] in de periode van 6 mei 2003 tot 11 april 2006 de voorhanden gegevens onvoldoende grondslag bieden. Die gegevens bieden wel voldoende grondslag voor het oordeel dat appellante en [O.] van 11 april 2006 tot 3 november 2008 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, zodat appellante de persoon is met wier middelen bij de verlening van bijstand aan [O.] rekening had moeten worden gehouden. De rechtbank heeft voorts overwogen dat ten aanzien van appellante is voldaan aan de voorwaarden voor hoofdelijke aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de WWB.


2.2. Op 28 juni 2010 heeft het College ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar genomen. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling moet worden betrokken. In dat besluit heeft het College het bezwaar deels gegrond verklaard en - voor zover hier van belang - het standpunt ingenomen dat appellante en [O.] sinds 11 april 2006 gedurende een drietal perioden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd aan de [adres 1], het woonadres van appellante. De (mede)terugvordering heeft het College vastgesteld op € 26.719,82.


3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stelt zich op het standpunt dat zij ook in de periode van 11 april 2006 tot en met 2 november 2008 geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. In artikel 59, tweede lid, van de WWB is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede teruggevorderd kunnen worden van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.


4.2. Voor de vaststelling dat appellante die persoon is, is vereist dat appellante in de periode van 11 april 2006 tot en met 2 november 2008 gedurende een drietal perioden met [O.] een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 van de WWB heeft gevoerd.


4.3. Aangezien vaststaat dat appellante en [O.] samen kinderen hebben is voor de beantwoording van de vraag of ten tijde van belang sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en [O.] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.


4.4. Voor de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet volgens vaste rechtspraak de feitelijke woonsituatie doorslaggevend worden geacht. In een geval als het onderhavige waarin sprake is van afzonderlijke adressen, zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt, in die zin dat voornamelijk daar wordt geleefd, gegeten en geslapen.


4.5. De Raad stelt vast dat het besluit tot medeterugvordering van de kosten van bijstand van [O.] een voor appellante belastend besluit is, waarbij het aan het College is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren.


4.6. Anders dan de rechtbank is de Raad met appellante van oordeel dat er onvoldoende feitelijke grondslag is om in de perioden hier van belang een gezamenlijke huishouding aan te nemen tussen appellante en [O.]. Het College heeft zich bij zijn besluitvorming met name gebaseerd op de verklaringen van appelante en [O.] en de verklaringen van buurtbewoners uit de omgeving van de [adres 1] en [adres 2].

Weliswaar blijkt uit de verklaringen van zowel appellante als [O.] dat [O.] vrijwel dagelijks, zowel overdag als ook soms ’s avonds, in de woning van appellante was, hetgeen ook wordt ondersteund door diverse verklaringen van buurtbewoners, maar naar het oordeel van de Raad is onvoldoende aannemelijk geworden dat [O.] ook ’s nachts op het adres van appellante verbleef. [O.] heeft verklaard: “Ik ben overdag wel in de woning van mijn ex op het adres [adres 1] te [gemeente 1]. Ook ben ik daar ’s avonds wel. Ik kan gewoon komen als ik mijn kinderen wil zien” (...) “Ik blijf bijna nooit slapen bij mijn ex en mijn kinderen. Dat doe ik alleen maar als er familie op visite is.” (...) “Ik slaap dus bijna iedere nacht op mijn eigen adres aan de [adres 2] te [gemeente 1]”. Appellante heeft verklaard: “Als de kinderen thuiskomen, is hij er voor de kinderen” (...) “U houdt mij voor dat [O.] verklaarde bijna dagelijks bij mij te zijn, dat kan wel kloppen. Overnachten doet hij bijna nooit bij mij alleen als zijn familie er is dan blijft hij ook slapen.” Uit de verklaringen van de buurtbewoners blijkt alleen dat zij appellante en [O.] overdag samen zien, bijvoorbeeld als zij samen uit de auto stappen met boodschappen. [O.] wordt in en om het huis gezien. Overigens heeft geen van de drie gehoorde buurtbewoners (intensief) contact met appellante en/of [O.]. Naar het oordeel van de Raad is met de verklaringen van appellante, [O.] en de buurtbewoners weliswaar komen vast te staan dat [O.] veel naar het adres van appellante kwam om zijn kinderen te zien, maar heeft het College daarmee niet aannemelijk gemaakt dat [O.] daar ook zijn hoofdverblijf had.


4.7. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal om redenen van duidelijkheid, met uitzondering van de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar alsmede de bepaling over proceskosten en griffierecht, worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 22 juni 2009 vernietigen. Omdat gelet op het tijdsverloop en de aard van de zaak redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat het College in staat zal zijn om alsnog het geconstateerde gebrek te herstellen, ziet de Raad aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 19 december 2008 te herroepen. Het besluit van 28 juni 2010 komt dientengevolge ook voor vernietiging in aanmerking.


5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 437,-- voor verleende rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens de niet-ontvankelijk verklaring van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar alsmede de bepaling over proceskosten en griffierecht;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 22 juni 2009 gegrond;

Vernietigt het besluit van 22 juni 2009 en herroept het besluit van 19 december 2008;

Vernietigt het besluit van 28 juni 2010;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 437,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College het door appellante betaalde griffierecht van € 111,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2011.


(get.) E.J.M. Heijs.


(get.) M.C. Nijholt.



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.


IJ