Centrale Raad van Beroep, 12-01-2012 / 11-232 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2012:BV0752

Inhoudsindicatie
Appellante heeft bij het (...) herzieningsverzoek, en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek, geen medische gegevens of omstandigheden naar voren gebracht die op de beoordeling van de eerdere aanvragen een ander licht werpen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-01-12
Publicatiedatum
2012-01-13
Zaaknummer
11-232 WUBO
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/232 WUBO



Centrale Raad van Beroep



Enkelvoudige kamer



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


en


de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)



Datum uitspraak: 12 januari 2012



I. PROCESVERLOOP


Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.


Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 november 2010, kenmerk BZ01220746 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2011. Daar is appellante, zoals aangekondigd, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.



II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante, geboren in 1936 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 2006 bij verweerder een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en om toekenning van onder meer een periodieke uitkering. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 6 april 2007 op de grond dat bij appellante geen sprake is van blijvende invaliditeit door het ondergane oorlogsgeweld, te weten de internering in de Bergenbuurt te Malang tijdens de zogenoemde Bersiap-periode. Tegen het besluit van 6 april 2007 heeft appellante geen bezwaar gemaakt.


1.2. Op de hernieuwde aanvraag van appellante van mei 2009 heeft verweerder afwijzend beslist bij besluit van 8 oktober 2009 en het oordeel gehandhaafd dat bij appellante geen sprake is van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de vastgestelde psychische klachten (in- en doorslaapproblematiek) wel enige beperkingen geven, maar niet zodanig dat sprake is van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. Ten aanzien van de lichamelijke klachten is herhaald dat deze klachten niet aan het oorlogsgeweld kunnen worden toegeschreven. Het tegen het besluit van 8 oktober 2009 ingediende bezwaar is wegens overschrijding van de bezwaartermijn

niet-ontvankelijk verklaard.


1.3. In januari 2010 heeft appellante opnieuw verzocht om toekenning van een periodieke uitkering op grond van de Wubo. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 8 juli 2010, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit op de grond dat er geen aanleiding bestaat het eerder ingenomen standpunt te herzien. Verweerder heeft, overeenkomstig een tweetal medische adviezen, het standpunt herhaald dat de psychische klachten (te weten slaapproblemen) slechts geringe tot matige beperkingen opleveren in het dagelijks functioneren van appellante en dat de lichamelijke klachten niet aan het oorlogsgeweld kunnen worden toegeschreven. Verweerder heeft hierbij niet beoordeeld of het oorlogsgeweld van betekenende invloed is geweest op het ontstaan van de psychische klachten.


1.4. In beroep onderschrijft appellante wel het standpunt dat de lichamelijke klachten niet aan de oorlog kunnen worden toegeschreven. Appellante wijst op de psychische gevolgen van hetgeen zij heeft meegemaakt en voelt zich niet serieus genomen.


2. De Raad overweegt als volgt.


2.1. De onder 1.3 genoemde aanvraag draagt het karakter van een verzoek om herziening van de onder 1.1 en 1.2 genoemde besluiten, waarbij telkens het standpunt is ingenomen dat de psychische klachten van appellante niet hebben geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo.


2.2. Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven besluit in het voordeel van de bij die beschikking te herzien. Gezien het karakter van de in dat artikellid aan verweerder verleende discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts terughoudend toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of appellante bij haar verzoek om herziening dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die verweerder bij de besluitvorming over de eerdere aanvragen niet bekend waren en waarin verweerder aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.


2.3. De Raad stelt vast dat appellante bij het onderhavige herzieningsverzoek, en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek, geen medische gegevens of omstandigheden naar voren heeft gebracht die op de beoordeling van de eerdere aanvragen een ander licht werpen. De door appellante genoemde slaapproblemen zijn - zoals uit de medische adviezen naar voren komt - ook bij de beoordeling van de eerdere aanvragen betrokken. Zo is vastgesteld dat het geheel aan psychische klachten (waaronder dus de slaapproblemen) appellante te weinig beperkingen geven om te kunnen spreken van invaliditeit in de zin van de Wubo. Gegevens op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de beperkingen van appellante zouden zijn onderschat, zijn dus niet ingediend en van verergering hiervan ten opzichte van de eerdere beoordelingen is niet gebleken.

3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan de terughoudende toetsing van de Raad doorstaan. Het ingestelde beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.


4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.



III. BESLISSING



De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2012.



(get.) A. Beuker-Tilstra.



I. Mos.

De griffier is buiten staat te tekenen.



NK