Centrale Raad van Beroep, 03-01-2012 / 10-1636 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BV0772

Inhoudsindicatie
Afwijzing bijstandsaanvraag. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres. Schending inlichtingenverplichting. Recht op bijstand kan niet worden vastgesteld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-01-03
Publicatiedatum
2012-01-12
Zaaknummer
10-1636 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/1636 WWB



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 februari 2010, 09/4151 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)



Datum uitspraak: 3 januari 2012



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2011. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten.


1.1. Appellant heeft op 17 april 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) aangevraagd. Appellant staat vanaf 6 maart 2003 ingeschreven op het adres [adres 1] te Amsterdam.


1.2. Naar aanleiding van het vermoeden dat appellant niet verbleef op voormeld door hem opgegeven adres, heeft de sociale recherche een onderzoek verricht naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dit kader heeft de sociale recherche op 24 april 2009 een huisbezoek afgelegd op voormeld adres en is appellant bij die gelegenheid gehoord. Voorts heeft een buurtonderzoek plaatsgevonden. Daarnaast zijn waarnemingen verricht nabij de woning van de moeder van de kinderen van appellant, [naam moeder], op het adres [adres 2] te Amsterdam. Vervolgens is appellant op 25 mei 2009 opnieuw gehoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 juni 2009.


1.3. Bij besluit van 4 juni 2009 heeft het College de aanvraag om bijstand van appellant afgewezen.


1.4. Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 juni 2009 ongegrond verklaard. Hierbij is, onder verwijzing naar getuigenverklaringen, de verrichte waarnemingen ter plaatse en de verklaringen van appellant over het bezoeken van zijn kinderen, overwogen dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres en dat als gevolg van schending van de ingevolge artikel 17 van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of hij recht heeft op bijstand (artikel 11 van de WWB).


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 juli 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het College niet heeft betwist dat appellant ten minste vier keer per week in de woning aan het opgegeven adres slaapt en dat hij tijdens het huisbezoek recente, aan hem geadresseerde post en herenkleding heeft getoond, maar dat de rechtbank het College desondanks in zijn stelling volgt dat niet aannemelijk is geworden dat appellant zijn hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven adres. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de tegenstrijdigheid tussen de door appellant op 24 april 2009 afgelegde verklaring over het bezoeken van zijn kinderen en de verklaringen die hij op dit punt op 25 mei 2009 en tijdens de hoorzitting op 24 juni 2009 heeft afgelegd, twijfel zaait over het hoofdverblijf van appellant. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de handhavingsspecialisten op negen dagen in de maand mei 2009 waarnemingen hebben verricht in de buurt van het adres [adres 2] en dat de bus van appellant daar op elk van die negen dagen is aangetroffen. Verder is overwogen dat buren van het adres [adres 1], [A.B.] en [C.D.], hebben verklaard dat zij appellant bijna nooit of nooit zien. Dat appellant naar eigen zeggen weinig contact heeft met de buren doet hieraan volgens de rechtbank niet af. Met betrekking tot het standpunt van appellant dat het College een huisbezoek had moeten afleggen op het adres [adres 2] heeft de rechtbank overwogen dat het hier een aanvraagsituatie betreft en dat het in de eerste plaats aan appellant is om aannemelijk te maken dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven adres. De rechtbank is van oordeel dat, nu appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven adres, hij de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat het College als gevolg van deze schending het recht op bijstand van appellant niet heeft kunnen vaststellen.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij wel verblijft op het door hem opgegeven adres aan de [adres 1]. Op dit adres is ook zijn post en zijn kleding aangetroffen. Appellant is weliswaar aanwezig op het adres [adres 2], maar dat is hij slechts om zijn kinderen te bezoeken. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de hierover door hem afgelegde verklaringen altijd dezelfde zijn geweest, in die zin dat hij zijn kinderen zowel door de week als in het weekend regelmatig ziet. Verder heeft appellant aangevoerd dat, indien het College een huisbezoek had afgelegd op het adres [adres 2], vastgesteld had kunnen worden dat hij daar niet woont. Met zijn buren heeft appellant weinig contact, hetgeen volgens hem de reden is dat zij hem weinig zien.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dat betekent dat in het onderhavige geval de beoordelingsperiode loopt van 17 april 2009 tot en met 4 juni 2009.


4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen in zijn geheel. Hij voegt daaraan toe dat appellant de inhoud van de door hem afgelegde verklaringen, alsmede de resultaten van de in de maand mei 2009 verrichte waarnemingen op zichzelf niet heeft bestreden en dat hij ook overigens niet (meer) ontkent dat hij zijn kinderen, zowel door de week als in het weekend, regelmatig ziet. Appellant heeft de ontstane onduidelijkheid ten aanzien van zijn woon- en leefsituatie derhalve ook nadien niet kunnen wegnemen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden, nu appellant in hoger beroep nagenoeg hetzelfde heeft aangevoerd als in beroep en de rechtbank de stellingen van appellant reeds op toereikende gronden heeft verworpen.


4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en E.J.M. Heijs en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2012.



(get.) J.N.A. Bootsma.



(get.) N.M. van Gorkum.





IJ