Centrale Raad van Beroep, 12-01-2012 / 09-6338 MAW


ECLI:NL:CRVB:2012:BV0785

Inhoudsindicatie
Herhaalde aanvraag. De besluiten van 27 september 2004, 13 april 2006 en 19 april 2006 zijn in rechte onaantastbaar geworden. De bezwaren tegen het besluit van 20 juli 2006 (en dus tegen die van 6 en 8 september 2006) zijn door de minister niet ten onrechte aangemerkt als een verzoek om terug te komen van deze besluiten. Appellant heeft daarbij onder meer aangevoerd dat hij door ernstige vertraging in de opleiding en de vele fouten die zijn gemaakt ten onrechte niet eerder is bevorderd. Naar het oordeel van de Raad zijn dit geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb omdat appellant dit in een procedure tegen voornoemde besluiten ook had kunnen aanvoeren.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-01-12
Publicatiedatum
2012-01-13
Zaaknummer
09-6338 MAW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/6338 MAW



Centrale Raad van Beroep



Enkelvoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 14 oktober 2009, 08/8684 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (hierna: minister)



Datum uitspraak: 12 januari 2012



I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft een hoger beroepschrift ingediend.


De Staatssecretaris van Defensie heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. Groenhart. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.W.C. Naalden.



II. OVERWEGINGEN


1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Minister van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.


2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


2.1. Appellant, aangesteld bij de Koninklijke luchtmacht, heeft wegens ontstane vertraging van de opleiding op 12 juli 2004 verzocht om met terugwerkende kracht per 26 juni 2003 te worden bevorderd tot sergeant. Vanaf laatstgenoemde datum is appellant praktisch tewerkgesteld in afwachting van verdere opleiding. Het verzoek van appellant is bij besluit van 27 september 2004 afgewezen. Daartegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.


2.2. Bij besluit van 13 april 2006 is appellant met ingang van 28 maart 2006 tot sergeant bevorderd. Bij besluit van 19 april 2006 is aan appellant met ingang van 29 maart 2006 de functie van Monteur Draagbare Wapens toegewezen. Aan deze functie is de rang sergeant verbonden. Tegen deze besluiten heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.


2.3. Bij akte van aanstelling van 20 juli 2006 is appellant met ingang van 29 maart 2006 voor onbepaalde tijd aangesteld bij het beroepspersoneel van de Koninklijke luchtmacht, in de rang van sergeant. Daarbij is vermeld dat appellant is bestemd voor de functie van Specialist Munitie Techniek. Bij besluit van 25 juli 2006 heeft de minister appellant ontslag verleend als beroepsmilitair voor bepaalde tijd, is deze aanstelling bevestigd en is de geldelijke uitkering waarop appellant recht heeft opnieuw vastgesteld. Tegen beide besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt.


2.4. De minister heeft vanwege fouten in de besluiten laatstgenoemde besluiten ingetrokken en vervangen door de besluiten van 6 en 8 september 2006. Het bezwaar is bij besluit op bezwaar van 6 maart 2007 ongegrond verklaard. Daartegen heeft appellant beroep ingesteld. Bij uitspraak van 21 november 2007 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het besluit van 6 maart 2007 - nu daarin is beslist op het in het bezwaarschrift vervatte verzoek om terug te komen van het besluit van 27 september 2009 - moet worden aangemerkt als een primair besluit en heeft het beroep doorgezonden naar de minister.


3. Bij besluit van 22 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit) is het besluit van 6 maart 2007 gehandhaafd.


4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


5. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.


5.1. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant verzocht om de behandeling van de zaak te schorsen en de zaak aan te houden in afwachting van de uitkomst van twee andere bezwaarzaken van appellant. De Raad heeft ter zitting de behandeling van de zaak gesloten en ziet geen aanleiding voor heropening van de zaak. Daarbij acht de Raad mede van belang dat de gemachtigde van de minister ter zitting heeft verklaard dat de afhandeling van één van de bezwaren is aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Raad in de deze zaak, en dat de andere zaak geen verband houdt met de zaak waarin nu wordt beslist.


5.2. In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.


5.3. De Raad stelt vast dat de besluiten van 27 september 2004, 13 april 2006 en 19 april 2006 in rechte onaantastbaar zijn geworden. De bezwaren tegen het besluit van 20 juli 2006 (en dus tegen die van 6 en 8 september 2006) zijn door de minister niet ten onrechte aangemerkt als een verzoek om terug te komen van deze besluiten. Appellant heeft daarbij onder meer aangevoerd dat hij door ernstige vertraging in de opleiding en de vele fouten die zijn gemaakt ten onrechte niet eerder is bevorderd. Naar het oordeel van de Raad zijn dit geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb omdat appellant dit in een procedure tegen voornoemde besluiten ook had kunnen aanvoeren.


5.4. De stelling van appellant dat, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 11 februari 2009, LJN BH3934, een situatie aan de orde zou zijn waarbij, hoewel geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, de minister in redelijkheid niet had mogen weigeren terug te komen van voornoemde besluiten, volgt de Raad niet. De Raad is van oordeel dat in het geval van appellant niet een zodanige bijzondere situatie aan de orde is als in deze uitspraak is bedoeld dat de minister geen beroep op de rechtszekerheid zou toekomen en de minister in redelijkheid niet had mogen weigeren terug te komen van voornoemde besluiten. Dit betekent dat de minister als bevorderingsdatum van appellant tot sergeant heeft mogen uitgaan van 29 maart 2006.


6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2012.



(get.) K. Zeilemaker.



(get.) M.C. Nijholt.




RB