Centrale Raad van Beroep, 12-01-2012 / 11-722 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2012:BV0824

Inhoudsindicatie
Bezwaar niet-ontvankelijk. Termijnoverschrijding. Geen verschoonbare termijnoverschrijding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-01-12
Publicatiedatum
2012-01-16
Zaaknummer
11-722 WUBO
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AB 2012/44 met annotatie van R. Ortlep
Uitspraak

11/722 WUBO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


en


de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: verweerder).


Datum uitspraak: 12 januari 2012


I. PROCESVERLOOP


Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.


Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 november 2010, kenmerk BZ01248992 (hierna: bestreden besluit). Dit besluit is genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2011. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.


II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant, geboren in 1931 te [woonplaats], is bij besluit van verweerder van 19 december 1995 erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en aan hem is met ingang van 1 september 1994 een periodieke uitkering toegekend.


1.2. Bij vervolgaanvraag in juni 2010 heeft appellant verzocht om een tegemoetkoming in de hoge huurlasten.


1.3. Bij besluit van 25 augustus 2010 heeft verweerder de aanvraag om een huurbijdrage afgewezen op de grond dat niet was gebleken dat appellant in verband met zijn oorlogsinvaliditeit is aangewezen op een dure huurwoning.


1.4. Appellant heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend, gedateerd 12 oktober 2010 en door verweerder ontvangen op 14 oktober 2010. Daarmee is de wettelijke termijn om bezwaar te maken overschreden. Op de vraag van verweerder naar de reden van de termijnoverschrijding heeft appellant aangegeven dat hij een fout moet hebben gemaakt omdat hij meende het bezwaarschrift wel binnen de termijn van zes weken te hebben ingediend.


1.5. Verweerder heeft het bezwaar van appellant bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat de bezwaartermijn van zes weken is overschreden en dat appellant geen verontschuldigbare reden voor de termijn-overschrijding heeft opgegeven.


2. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht het volgende.


2.1. De termijn voor het maken van bezwaar bedraagt zes weken. Vast staat dat deze termijn is overschreden. Om deze reden dient de niet-ontvankelijkheid te worden uitgesproken tenzij blijkt van een aanvaardbare reden voor verschoonbaarheid als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Evenals verweerder is de Raad van oordeel dat de door appellant opgegeven oorzaak van de termijnoverschrijding niet een aanvaardbare reden is voor verschoonbaarheid als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Hetzelfde geldt voor de door appellant in beroep naar voren gebrachte omstandigheden dat voor oudere mensen de tijd vliegt en dat een beroeps- en bezwaartermijn van dertien weken daaraan meer tegemoet zou komen. De Raad stelt vast dat de wetgever, voor gevallen zoals hier aan de orde, die termijn nu eenmaal op zes weken heeft bepaald. Ook overigens is van redenen voor verontschuldigbaarheid niet gebleken. Verweerder heeft het bezwaar dus terecht niet-ontvankelijk verklaard.


2.2. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.


3. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2012.


(get.) R. Kooper.


(get.) B. Bekkers.


RB