Centrale Raad van Beroep, 27-01-2012 / 11-4221 WAJONG


ECLI:NL:CRVB:2012:BV2045

Inhoudsindicatie
Weigering WAJONG-uitkering. Voldoende medische grondslag, onderschreven door de door de rechtbank geraadpleegde deskundige. Het nadeel dat de medische toestand van appellant in een situatie als de onderhavige, waarin eerst na 25 jaar een aanvraag om een Wajong-uitkering wordt ingediend, mogelijk niet meer met zekerheid is vast te stellen, voor zijn rekening en risico komt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-01-27
Publicatiedatum
2012-01-30
Zaaknummer
11-4221 WAJONG
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/4221 WAJONG


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 9 juni 2011, 09/1945 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 27 januari 2012


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. E.S. Lassche, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij een rapport van de bezwaarverzekeringsarts A.M.M. Moons van 12 augustus 2011.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2011. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door E.M.C. Beijen.


II. OVERWEGINGEN


1. Appellant, geboren op [datum] 1965, heeft op 5 december 2008 een aanvraag voor een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheids-voorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Bij besluit van 24 februari 2009 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een Wajong-uitkering toe te kennen omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden om als jonggehandicapte in de zin van de Wajong te worden beschouwd. Bij besluit van 24 juni 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.


2.1. De rechtbank heeft gelet op de standpunten van partijen aanleiding gezien appellant te laten onderzoeken door prof. dr. G.F. Koerselman, psychiater. In antwoord op de vragen van de rechtbank heeft Koerselman anamnese afgenomen alsmede een heteroanamnese in de vorm van een ongedateerde brief van de moeder van appellant, kennis genomen van informatie van de huisarts en van de Brijder Stichting, alsmede een telefoonnotitie van 5 oktober 2009 van een gesprek dat heeft plaats gevonden tussen voormalig directeur van de LOM-school en mevrouw W. Elsman, arbeidsdeskundige en juridisch adviseur. Koerselman heeft in zijn rapportage van 20 december 2010 aangegeven dat er ten aanzien van de medische dan wel psychiatrische toestand ten aanzien van het functioneren van appellant op zijn 17e dan wel 18e verjaardag geen objectief medische gegevens beschikbaar zijn. De beschikbare informatie van de huisarts en de Brijder Stichting hebben evenmin op deze periode betrekking. Behoudens de gokverslaving, waarmee appellant op zijn 16e jaar bekend was, zijn de andere vormen van verslaving pas na zijn 18e verjaardag tot uiting gekomen.

Anderzijds acht de deskundige het evenmin aannemelijk dat er bij appellant tussen zijn 17e en 18e jaar op psychiatrisch gebied niets aan de hand was. De door de moeder geschetste problemen, uiteengezet in een ongedateerde brief, wijzen daarop. Als kind had appellant veel gedragsproblemen, die, volgens zijn moeder, te wijten zijn aan een tekort aan zuurstof tijdens de geboorte. Gelet op de onrust en impulsiviteit bij appellant zou dit, volgens Koerselman, kunnen wijzen op ADHD of in de richting van een autistische of een oppositioneel-opstandige stoornis. Het feit dat appellant voor zijn 18e verjaardag, mede vanwege schaamte van zijn ouders, nooit tot enige vorm van behandeling is gekomen, doet echter vermoeden dat de ernst van de aandoening niet zeer ernstig geweest kan zijn, aldus Koerselman. Tot slot geeft Koerselman aan dat niet alle kinderen met een dergelijke aandoening per definitie voor een Wajong-uitkering in aanmerking komen. Alles overziende heeft Koerselman vanwege gebrek aan medisch objectieve gegevens ten tijde in geding, onvoldoende objectieve aanwijzingen gevonden dat appellant vanaf zijn 17e verjaardag gedurende 52 weken niet in staat zou zijn geweest om met reguliere arbeid het minimum loon verdienen.


2.2. De rechtbank heeft het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige gevolgd en heeft het beroep vervolgens ongegrond verklaard.


3. Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen en heeft aangegeven waarom er voldoende reden is af te wijken van het psychiatrisch advies van prof. Koerselman. Gewezen is op de telefoonnotitie van het gesprek met de vroegere directeur van de LOM-school. Voorts is nogmaals gewezen op het geschrevene van de moeder van appellant namelijk dat appellant vanaf zijn jeugd leed aan allerlei stoornissen en verslavingen (vanaf 16 jaar gokverslaafd en vanaf zijn 18e verslaafd aan alcohol en diverse drugs) waardoor hij nooit goed gefunctioneerd heeft.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1. Allereerst merkt de Raad op dat naar vaste rechtspraak, een aanvraag moet worden beoordeeld naar het recht dat gold op het voor honorering van die aanvraag relevante tijdstip. Voor de Wajong-aanvraag van appellant betekent dit dat een beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van de bepalingen van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW), de wet die als voorloper van de Wajong voorzag in de mogelijkheid uitkering te verstrekken aan een jeugdgehandicapte en die gold op [datum] 1982, de dag waarop appellant 17 jaar werd.


4.2. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad, evenals de rechtbank, niet gebleken.

Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de diagnose en conclusies van de door de rechtbank ingeschakelde psychiater, prof. Koerselman, zijn gebaseerd op uitvoerig eigen onderzoek en bestudering van de in het dossier aanwezige stukken, waaronder de brief van de moeder van appellant, de telefoonnotitie en de brieven van de huisarts en de Brijder Stichting. De Raad volgt de diagnose en de conclusies van de deskundige, die er toe leiden dat niet aannemelijk is geworden dat appellant sedert zijn 17e verjaardag niet in staat was om aan het arbeidsproces deel te nemen.

Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd die tot een andersluidend oordeel zou moeten leiden. De gegevens waarnaar appellant in zijn hoger beroepschrift verwijst, zijn uitdrukkelijk meegewogen door de deskundige.

Tot slot wijst de Raad er op dat naar vaste rechtspraak het nadeel dat de medische toestand van appellant in een situatie als de onderhavige, waarin eerst na 25 jaar een aanvraag om een Wajong-uitkering wordt ingediend, mogelijk niet meer met zekerheid is vast te stellen, voor zijn rekening en risico komt.


4.3. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het Uwv appellant op goede gronden niet heeft aangemerkt als jeugdgehandicapte in de zin van de AAW en afwijzend heeft beslist op het verzoek van appellant hem een Wajong-uitkering toe te kennen.


5. Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2012.


(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.


(get.) J.R. Baas.


EK