Centrale Raad van Beroep, 24-01-2012 / 10-469 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BV2863

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Terugvordering. De Commissie heeft de bevindingen van de observaties aan de besluitvorming ten grondslag mogen leggen omdat met de observaties geen ongeoorloofde inbreuk wordt gemaakt op het recht op respect voor zijn privéleven. Dat de moeder van appellant haar verklaring niet heeft ondertekend, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat deze op onregelmatige wijze tot stand zou zijn gekomen. Voorts vormt de enkele omstandigheid dat de moeder haar verklaring in haar eigen woning heeft afgelegd onvoldoende grond om die als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing te laten. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het standpunt dat appellant sinds 1 juni 2006 niet woonachtig was op de door hem opgegeven adressen te Breda.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-01-24
Publicatiedatum
2012-02-06
Zaaknummer
10-469 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/469 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 30 november 2009, 09/835 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (hierna: Commissie)


Datum uitspraak: 24 januari 2012



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. S.A.R.C.W. Munsters, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 13 december 2011, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant ontving sinds 2 augustus 2001 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Vanaf 31 oktober 2001 stond appellant ingeschreven op het adres [adres 1] te Breda en vanaf 22 december 2006 op het adres van zijn moeder aan het [adres 2] te Breda.


1.2. In verband met uit hercontroles naar voren gekomen onduidelijkheden omtrent de woon- en leefsituatie van appellant is door de afdeling Fraudebestrijding van de directie Sociale Zaken van de gemeente Breda een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 januari 2008.


1.3. Bij besluit van 9 mei 2008 heeft de Commissie de bijstand met ingang van 1 juni 2006 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juni 2006 tot 1 januari 2008 tot een bedrag van € 18.004,61 bruto van appellant teruggevorderd. Daarbij is overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat appellant heeft verzwegen dat hij vanaf 1 juni 2006 zijn hoofdverblijf heeft aan de [adres 3] te Wagenberg en daarom niet woonachtig was in de gemeente Breda.


1.4. Bij besluit van 29 december 2008 heeft de Commissie het bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2008 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft de Commissie ten grondslag gelegd dat als gevolg van onjuiste informatie van appellant omtrent het feitelijke woonadres niet kan worden vastgesteld of appellant gedurende de periode in geding in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 december 2008 ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. De Raad stelt vast dat de Commissie de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat beoordeeld dient te worden de periode van 1 juni 2006 tot en met 9 mei 2008.


4.2. Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB. Indien de belanghebbende deze inlichtingen- en medewerkingsverplichting niet of niet in voldoende mate nakomt, en wanneer als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.


4.3. Artikel 53a, tweede lid, eerste volzin, van de WWB bepaalt dat het college bevoegd is om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand.


4.4. De Raad volgt appellant niet in zijn betoog dat de uit onderzoek verkregen gegevens niet ten grondslag mogen worden gelegd aan het besluit van 9 mei 2008 omdat hem niet is meegedeeld op basis van welke informatie onduidelijkheden omtrent zijn leefsituatie zijn ontstaan. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat uit het samenstel van de onder 4.2 en 4.3 weergegeven artikelonderdelen moet worden afgeleid dat de wetgever bij de vaststelling van het recht op bijstand de inlichtingen- en medewerkingsverplichting van de belanghebbende zelf voorop heeft gesteld, maar er tevens in heeft voorzien dat in bepaalde - van het concrete geval afhankelijke - omstandigheden van het bestuursorgaan het verrichten van nader onderzoek kan worden gevergd.


4.5. De Raad verwerpt de beroepsgrond van appellant dat de Commissie de bevindingen van de observaties niet aan de besluitvorming ten grondslag had mogen leggen omdat met de observaties een ongeoorloofde inbreuk wordt gemaakt op het recht op respect voor zijn privéleven. De in artikel 53a van de WWB neergelegde onderzoeksbevoegdheid is algemeen en deze bepaling biedt naar vaste rechtspraak van de Raad ook een grondslag voor het doen van observaties. De met de observaties gemaakte inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellant is proportioneel met het met die observaties te dienen doel. Voorts kon dit doel ook niet op een minder ingrijpende wijze worden bereikt. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de observaties betrekking hadden op de plaats waar de auto van de moeder van appellant stond geparkeerd en dat de observaties alleen in de openbare ruimte plaatsvonden.


4.6. Appellant heeft verder aangevoerd dat de verklaring van zijn moeder niet als bewijsmiddel mag worden gebruikt omdat de omstandigheden waaronder zij heeft verklaard onduidelijk zijn. Deze beroepsgrond treft geen doel. In de rapportage van 24 januari 2008 is de verklaring van de moeder integraal opgenomen. De moeder is in haar woning gehoord. Haar is meegedeeld waarom zij werd gehoord en zij is gewezen op haar verschoningsrecht. Na voorlezing heeft de moeder van appellant volhard bij haar verklaring, maar heeft deze niet getekend. Dat de moeder van appellant haar verklaring niet heeft ondertekend, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat deze op onregelmatige wijze tot stand zou zijn gekomen. Voorts vormt de enkele omstandigheid dat de moeder haar verklaring in haar eigen woning heeft afgelegd onvoldoende grond om die als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing te laten.


4.7. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt dat appellant sinds 1 juni 2006 niet woonachtig was op de door hem opgegeven adressen te Breda. De Raad kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan de verklaring die appellant zelf op 22 januari 2008 ten overstaan van de Buitengewone Opsporingsambtenaren heeft afgelegd en die door hem na voorlezing is ondertekend. Uit die verklaring blijkt onder meer dat appellant ten tijde in geding het merendeel van de dagen en nachten heeft doorgebracht aan de [adres 3] te Wagenberg. Dit komt overeen met het aantal keren dat de auto van de moeder van appellant tijdens observaties in de periode van 27 september 2007 tot en met 16 januari 2008 aan de [adres 3] te Wagenberg is aangetroffen. Appellant heeft verklaard dat het meestal zo is dat als die auto daar stond, hij in het pand aanwezig was. Voorts vindt hetgeen appellant heeft verklaard steun in de verklaring van de moeder van appellant van diezelfde dag. Zij heeft namelijk verklaard dat appellant weliswaar staat ingeschreven op haar adres maar dat hij daar feitelijk niet verblijft en er geen kamer heeft.


4.8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2012.


(get.) J.J.A. Kooijman.


(get.) J. de Jong.


IJ