Centrale Raad van Beroep, 31-01-2012 / 09-6257 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BV2867

Inhoudsindicatie
Maatregel. Verlaging bijstand met 100% voor de duur van tot twee maanden. Nu appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 27 augustus 2008 is dit besluit in rechte onaantastbaar geworden, zodat de daarin aan hem opgelegde arbeidsverplichtingen in rechte vast zijn komen te staan. Het college heeft de verweten gedragingen terecht gekwalificeerd als gedragingen van de derde categorie als bedoeld in de Afstemmingsverordening. Appellant is onvoldoende de verplichting nagekomen om gebruik te maken van de door het college aangeboden voorziening.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-01-31
Publicatiedatum
2012-02-06
Zaaknummer
09-6257 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/6257 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 oktober 2009, 09/907 (aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het college van burgemeester en wethouders van Beesel (college)


Datum uitspraak: 31 januari 2012



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 3 januari 2012. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Bij besluit van 27 augustus 2008 heeft het college aan appellant met ingang van 16 juli 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Daarbij heeft het college aan appellant meegedeeld dat de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB op hem van toepassing zijn. Bovendien heeft het college appellant op grond van artikel 55 van de WWB verplicht om deel te nemen aan de door de GGZ/Verslavingszorg Noord- en Midden-Limburg aangeboden introductiecursus, en vervolgens mee te werken aan het aangeboden behandelplan en behandeling. Appellant heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen dit besluit.


1.2. Om appellant te begeleiden in het proces van arbeidsactivering is hij aangemeld voor een re-integratietraject bij [re-integratiebureau]. Via [re-integratiebureau] is hij op 3 november 2008 gestart met werkzaamheden bij werkbedrijf [werkbedrijf].


1.3. Bij besluit van 9 december 2008 heeft het college de bijstand van appellant over de periode 1 november 2008 tot en met 28 februari 2009 verlaagd met 100%. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd, voor zover hier van belang, dat appellant onvoldoende de verplichting is nagekomen om gebruik te maken van de door het college aangeboden voorziening via [re-integratiebureau] bij werkbedrijf [werkbedrijf], hetgeen heeft geleid tot voortijdige beëindiging van het traject, terwijl tevens sprake is van recidive.


1.4. Bij besluit van 25 mei 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 december 2008 gegrond verklaard en de verlaging van 100% beperkt tot twee maanden.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank hem na het indienen van het beroepschrift van 29 juni 2009 geen gelegenheid heeft geboden de gronden van het beroep aan te vullen, hetgeen in strijd is met de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


4.1.2. In het beroepschrift van 29 juni 2009 staat vermeld: “Eiser kan zich met de bestreden beschikking niet verenigen. De beschikking is onvoldoende gemotiveerd en rust op een feitelijk onjuiste grondslag. Eiser behoudt zich het recht voor nadere gronden van beroep aan te vullen.” Gelet op deze vermelding, ziet de Raad niet in dat de rechtbank op grond van de Awb verplicht was appellant de gelegenheid te bieden om de gronden van het beroep aan te vullen.


4.2. Appellant heeft zich verder gekeerd tegen de overweging van de rechtbank dat de door hem aangevoerde gronden tegen de bij het besluit van 27 augustus 2008 opgelegde arbeidsverplichtingen dienen te falen. Appellant betoogt dat hij in het kader van zijn bezwaar tegen het besluit van 9 december 2008 wel degelijk gronden heeft kunnen aanvoeren tegen het besluit van 27 augustus 2008, nu het college laatstgenoemd besluit heeft opgenomen in de motivering van het besluit van 9 december 2008. De Raad volgt appellant hierin niet. Nu appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 27 augustus 2008 is dit besluit in rechte onaantastbaar geworden, zodat de daarin aan hem opgelegde arbeidsverplichtingen in rechte vast zijn komen te staan. Dit betekent dat gronden van appellant tegen de bij het besluit van 27 augustus 2008 aan hem opgelegde arbeidsverplichtingen in het kader van het hier aan de orde zijnde geschil onbesproken dienen te blijven.


4.3. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant in november 2008 op meerdere data ongeoorloofd afwezig is geweest bij werkbedrijf [werkbedrijf], als gevolg waarvan [re-integratiebureau] het traject voortijdig heeft beëindigd. Appellant betwist niet dat hij op deze data afwezig is geweest, maar bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat die afwezigheid verwijtbaar was. Voor zover appellant daarbij doelt op zijn verslavingsproblematiek, overweegt de Raad het volgende. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld met een rapport van een arts, dat hij door zijn verslaving niet in staat was deel te nemen aan het traject via [re-integratiebureau]. Nu appellant op meerdere data in november 2008, met name woensdagmiddag 19 november 2008 en maandag 24 november 2008, verwijtbaar verzuimd heeft deel te nemen aan bedoeld traject, als gevolg waarvan dit traject voortijdig is beëindigd, heeft het college de verweten gedragingen terecht heeft gekwalificeerd als gedragingen van de derde categorie als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder 3, onderdeel c, van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand gemeente Beesel (Verordening), waar onder meer onder wordt begrepen het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening, als dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van het traject.


4.4. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat de overweging van de rechtbank dat niet toegekomen wordt aan een beoordeling van het niet nakomen van de verplichting op grond van artikel 55 van de WWB onbegrijpelijk is. Ook de Raad is van oordeel dat in dit geschil niet toegekomen wordt aan een beoordeling van het al dan niet nakomen van de aan appellant op grond van artikel 55 van de WWB opgelegde verplichting, nu het college het niet nakomen van deze verplichting niet ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit.


4.5. Op grond van het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2012.


(get.) J.C.F. Talman.


(get.) V.C. Hartkamp.


HD