Centrale Raad van Beroep, 08-02-2012 / 10-4116 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BV3889

Inhoudsindicatie
Weigering bijzondere bijstand ten behoeve van echtgenote over de jaren 2004 tot en met 2008 op grond van de regeling chronisch zieken en gehandicapten. Consistent toegepast beleid. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College de aanvraag heeft kunnen afwijzen op de grond dat toekenning met terugwerkende kracht in principe niet mogelijk is en dat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden die tot een uitzondering op die regel nopen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-02-08
Publicatiedatum
2012-02-14
Zaaknummer
10-4116 WWB
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2012/74
Uitspraak

10/4116 WWB


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 juni 2010, 10/75 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)


Datum uitspraak: 8 februari 2012



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A.J. Kensmil, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2011. Namens appellant is verschenen mr. G.A. Soebhag, advocaat te Rotterdam. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Andel, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant heeft op 1 juli 2009 bijzondere bijstand aangevraagd ten behoeve van zijn echtgenote op grond van de regeling chronisch zieken en gehandicapten, over de jaren 2004 tot en met 2008. Bij besluit van 31 augustus 2009 heeft het College met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvraag buiten behandeling gesteld op de grond dat niet voor afloop van de hersteltermijn de gevraagde stukken zijn overgelegd.


1.2. Op 7 oktober 2009 heeft appellant opnieuw bijzondere bijstand aangevraagd ten behoeve van zijn echtgenote over de jaren 2004 tot en met 2008 op grond van de regeling chronisch zieken en gehandicapten. Bij besluit van 8 oktober 2009, aangevuld op 23 oktober 2009, heeft het College de aanvraag afgewezen.


1.3. Bij besluit van 18 december 2009 heeft het College het daartegen gerichte bezwaar van appellant ongegrond verklaard op de grond dat ingevolge het gemeentelijk beleid, zoals gewijzigd per 1 september 2009, het toekennen van de toelage chronisch zieken en gehandicapten met terugwerkende kracht niet mogelijk is.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 december 2009 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de aanvraag van 7 oktober 2009 als eerste aanvraag voor een toelage op grond van de regeling chronisch zieken en gehandicapten, en dat uitgegaan had moeten worden van de aanvraag van 1 juli 2009. De aanvraag had om die reden beoordeeld moeten worden aan de hand van het beleid zoals dat gold tot 1 september 2009, waarin niet was opgenomen dat toekenning met terugwerkende kracht niet mogelijk is. Voor zover wel moet worden uitgegaan van het beleid zoals dat geldt sinds 1 september 2009 heeft appellant aangevoerd dat in het nieuwe beleid ten onrechte geen overgangsrechtelijke bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot de mogelijkheid van toekenning met terugwerkende kracht. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank vormvereisten heeft geschonden door niet nader te motiveren dat de grief dat het College gehouden was om een GGD-advies aan te vragen, geen nadere bespreking behoeft. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat in strijd is gehandeld met het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel, aangezien appellant en zijn zoon wel met terugwerkende kracht een toelage op grond van de regeling chronisch zieken en gehandicapten hebben gekregen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat het College bij de beoordeling van zijn aanvraag van 7 oktober 2009 had moeten uitgaan van het beleid zoals dat gold ten tijde van zijn eerdere aanvraag van 1 juli 2009. Die aanvraag heeft immers geleid tot het besluit van 31 augustus 2009, waarin de aanvraag buiten behandeling is gesteld. Appellant had tegen dit besluit rechtsmiddelen kunnen aanwenden, maar heeft dat niet gedaan. Daarmee is het besluit van 31 augustus 2009 in rechte vast komen te staan. Het College heeft de aanvraag van 7 oktober dan ook op goede gronden aangemerkt als een nieuwe aanvraag, die moest worden beoordeeld aan de hand van het beleid zoals dat per 1 september 2009 is gaan gelden.


4.2.1. Op grond van dit beleid is toekenning van een toelage op grond van de regeling chronisch zieken en gehandicapten met terugwerkende kracht in principe niet mogelijk. Dit is in overeenstemming met vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de Wet werk en bijstand, dat in beginsel geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden. Het College maakt hierop een uitzondering voor het lopende jaar 2009, dat in dit geding niet aan de orde is.


4.2.2. Voor zover eerder wel toekenning met terugwerkende kracht mogelijk was, dient dat beleid te worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak van de Raad wordt een dergelijk beleid als gegeven beschouwd en dient de bestuursrechter te volstaan met de beoordeling van de vraag of het bestuursorgaan het beleid op consistente wijze heeft toegepast. Hieruit vloeit voort dat het ontbreken van overgangsrechtelijke bepalingen met betrekking tot het buitenwettelijk begunstigend beleid ook als een gegeven moet worden beschouwd en dat uitsluitend ter beoordeling voorligt de vraag of het College het beleid, in dit geval het niet meer toekennen met terugwerkende kracht, consistent heeft toegepast. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is.


4.3. De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat het College de aanvraag heeft kunnen afwijzen op de grond dat toekenning met terugwerkende kracht in principe niet mogelijk is en dat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden die tot een uitzondering op die regel nopen. Omdat aan een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag dan verder niet wordt toegekomen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de door appellant in beroep aangevoerde grond dat het College gehouden was om een GGD-advies aan te vragen, geen nadere bespreking behoeft. De Raad voegt daaraan nog toe dat dit ook geldt voor de inhoud van het door Aob Compaz opgestelde rapport. De hogerberoepsgrond dat de rechtbank vormvereisten heeft geschonden, slaagt derhalve niet.


4.4. Voor wat betreft het beroep op het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel onderschrijft de Raad de overwegingen van de rechtbank, kort gezegd dat toentertijd sprake was van een ander beleid, en de daaruit door haar getrokken conclusie dat geen sprake is van strijd met deze beginselen. De in hoger beroep aangevoerde beroepsgrond, die neerkomt op een herhaling van hetgeen in beroep naar voren is gebracht, brengt de Raad niet tot een ander oordeel.


4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2012.


(get.) J.C.F. Talman.


(get.) B. Bekkers.


HD