Centrale Raad van Beroep, 16-02-2012 / 10-4982 AW


ECLI:NL:CRVB:2012:BV6053

Inhoudsindicatie
Onvoorwaardelijk strafontslag. De korpsbeheerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Er bestaat onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de gedragingen niet aan appellant kunnen worden toegerekend. De opgelegde straf van onvoorwaardelijk strafontslag is niet onevenredig aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-02-16
Publicatiedatum
2012-02-20
Zaaknummer
10-4982 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/4982 AW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (Duitsland), (appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 juli 2010, 10/460 (aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Korpsbeheerder van de politieregio [regio] (korpsbeheerder)


Datum uitspraak: 16 februari 2012

I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.B.J.G.M. Schyns, advocaat. Namens de korpsbeheerder is verschenen mr. A.P.C.W. Timmers.


II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant was vanaf 1992 werkzaam bij de politie, laatstelijk als hoofdagent/surveillancehondengeleider. De korpsbeheerder heeft appellant op 16 oktober 2009 buiten functie gesteld en hem de toegang tot de dienstgebouwen ontzegd vanwege het vermoeden dat appellant zich aan ernstig plichtsverzuim had schuldig gemaakt, bestaande uit het plegen van gewelddadige handelingen jegens zijn toenmalige partner P. In dit verband is een strafrechtelijk onderzoek en een disciplinair onderzoek ingesteld. Na afronding van deze onderzoeken heeft de korpsbeheerder bij besluit van 11 november 2009 aan appellant met ingang van 25 november 2009 strafontslag verleend. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant in 2009 meerdere malen, waaronder op 1 juli 2009, heftige en langdurige ruzies heeft gehad met P, waarbij hij fysiek geweld jegens haar heeft gebruikt, en dat appellant zich tijdens het incident van 1 juli 2009 agressief en dreigend heeft opgesteld jegens de politiefunctionarissen J en G, die naar de woning van P waren gekomen naar aanleiding van een melding van P dat appellant haar had mishandeld.


1.2. De korpsbeheerder heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 november 2009 bij besluit van 24 februari 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.


3.1. In de eerste plaats slaagt het door appellant gedane beroep op het vertrouwensbeginsel niet. Uit de door appellant in dit verband genoemde verklaring van de hoofdinspecteur van politie L van 10 augustus 2009 kan niet worden afgeleid dat aan appellant is toegezegd dat van het instellen van een disciplinair onderzoek zou worden afgezien, nog daargelaten of L bevoegd was een dergelijke toezegging te doen.


3.2. Op basis van de door P, J en G afgelegde verklaringen, die in hoofdlijnen overeenstemmen, staat voldoende vast dat appellant zowel op 6 mei 2009 als op 1 juli 2009 jegens P fysiek geweld heeft gebruikt en dat hij zich op 1 juli 2009 op een agressieve en dreigende wijze heeft uitgelaten jegens J en G. Dat het fysieke geweld jegens P zich zou hebben beperkt tot het slechts éénmaal vastpakken van P met blauwe plekken tot gevolg, zoals appellant heeft gesteld, acht de Raad gezien de genoemde verklaringen niet aannemelijk. Dat P haar verklaring deels heeft herzien nadat het voornemen tot het opleggen van strafontslag aan appellant kenbaar was gemaakt, kan evenmin tot het oordeel leiden dat de appellant verweten gedragingen niet hebben plaatsgevonden. Verder vormt de door appellant geschetste problematische relatie met P, wat daar verder van zij, geen rechtvaardiging voor de desbetreffende gedragingen jegens haar. Dat de gedragingen zich in de privésfeer hebben voorgedaan, doet evenmin af aan het karakter van plichtsverzuim. Appellant heeft zich schuldig gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag dat ook zijn weerslag heeft op het aanzien van het politiekorps. De korpsbeheerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim.


3.3. Appellant heeft verder aangevoerd dat hetgeen op 6 mei 2009 en 1 juli 2009 is voorgevallen hem niet kan worden toegerekend. Daarbij heeft hij zich beroepen op de verklaring van de psycholoog drs. P.H.J. Roijen, van 21 december 2009, bij wie appellant zich eind oktober 2009 voor behandeling heeft aangemeld. In deze verklaring wordt onder meer melding gemaakt van een mogelijke surmenage met ernstige depressiekenmerken, die een sterke relatie heeft met recent ervaren problemen in de werkomgeving, en van een langere periode van ernstige problemen in het persoonlijk leven. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is deze verklaring onvoldoende om aan te nemen dat de gedragingen op 6 mei 2009 en 1 juli 2009 niet aan appellant kunnen worden toegerekend.


3.4. Uit hetgeen is overwogen in 3.1 tot en met 3.3 volgt dat de korpsbeheerder de bevoegdheid toekwam om appellant een disciplinaire straf op te leggen. De opgelegde straf van onvoorwaardelijk strafontslag is niet onevenredig aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Daarbij is mede van belang dat de korpsbeheerder appellant in 2004, naar aanleiding van een melding in 2003 van huiselijk geweld, dringend heeft gewaarschuwd dat herhaling van dergelijk gedrag niet zal worden geaccepteerd.


4. Het hoger beroep treft, gezien hetgeen in 3.1 tot en met 3.4 is overwogen, geen doel. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.G. Treffers en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2012.


(get.) H.A.A.G. Vermeulen.


(get.) M.R. Schuurman.


HD