Centrale Raad van Beroep, 23-02-2012 / 09-5494 MAW


ECLI:NL:CRVB:2012:BV6812

Inhoudsindicatie
Bezwaar niet-ontvankelijk. Appellant had veel eerder bezwaar kunnen maken tegen zijn overplaatsing dan hij heeft gedaan. De rechtbank heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat het bezwaar van appellant niet verschoonbaar te laat is gemaakt, zodat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit terecht in stand zijn gelaten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-02-23
Publicatiedatum
2012-02-27
Zaaknummer
09-5494 MAW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

09/5494 MAW



Centrale Raad van Beroep



Enkelvoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[appellant],wonende te [woonplaats], (appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 26 augustus 2009, 08/3968 (aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Commandant Landstrijdkrachten



Datum uitspraak: 23 februari 2012



I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


De commandant heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.M. Groenhart. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.V. Wannyn.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad verwijst voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak en naar zijn uitspraak van 17 september 2009, LJN BJ8661. Hij volstaat hier met het volgende.


1.1. Appellant was aangesteld in tijdelijke dienst met bestemming functies te vervullen bij het Korps Nationale Reserve (NATRES). De aanstelling is met ingang van 19 juni 2006 geëindigd. Bij zijn onder 1 genoemde uitspraak heeft de Raad het besluit de tijdelijke aanstelling niet (nogmaals) te verlengen in stand gelaten.


1.2. Bij besluit van 19 april 2005 is appellant met terugwerkende kracht de functie van infanterist bij de B-compagnie van NATRES toegewezen. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 18 december 2007 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 april 2008 (bestreden besluit) heeft de commandant dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, maar bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.


3. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.


4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht als volgt.


4.1. Anders dan namens de commandant is betoogd, resteert voor appellant, ondanks het feit dat zijn dienstverband inmiddels is beëindigd, procesbelang. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 28 april 2011, LJN BQ3449) vormt het enkele feit dat door appellant wordt gesteld - en niet op voorhand volstrekt onaannemelijk is - dat ten gevolge van het door hem bestreden besluit schade is geleden, voldoende grond om nog een belang bij een inhoudelijke beoordeling door de rechter van het geschil aanwezig te achten. De omstandigheden van dit geval bieden geen grond om daarover anders te oordelen. Appellant stelt immers schade te hebben geleden als gevolg van zijn overplaatsing naar de B-compagnie, omdat hij daar minder werd opgeroepen.


4.2. Het besluit van 19 april 2005 (overplaatsing) is niet aangetekend verzonden en de commandant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat en wanneer dit besluit daadwerkelijk is verzonden. Appellant heeft de ontvangst van dat besluit van meet af aan ontkend. Het besluit is op 18 december 2007 bij de behandeling door de rechtbank van het beroep van appellant tegen de beëindiging van zijn aanstelling alsnog aan hem overhandigd, waarna hij nog diezelfde dag bezwaar heeft gemaakt. De commandant heeft in zijn bestreden besluit overwogen dat appellant al veel eerder (op 31 maart 2006) op de hoogte was van zijn overplaatsing naar de B-compagnie te Breda, zodat hij te laat bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant ten minste op 18 oktober 2006, ten tijde van de hoorzitting inzake de beëindiging van zijn aanstelling, van de overplaatsing naar de B-compagnie op de hoogte was, reden waarom de rechtsgevolgen van de niet-ontvankelijkverklaring in stand zijn gelaten.


4.3. De Raad stelt op grond van de gedingstukken vast dat appellant inderdaad veel eerder dan in december 2007 op de hoogte moet zijn geweest van zijn overplaatsing naar de B-compagnie. Appellant was geplaatst bij de C-compagnie in Oirschot en werd met ingang van 1 maart 2005 overgeplaatst naar HNS, het hoofdkantoor van NATRES, te Vught en later naar de B-compagnie te Breda. Appellant was ook voordien af en toe werkzaam te Breda, hij werd daar dan (vanuit Oirschot) gedetacheerd. De Raad wil dan ook wel aannemen dat appellant uit de feitelijke gang van zaken niet kon afleiden dat hem formeel een functie bij de B-compagnie was toegewezen. In een e-mailbericht van 31 maart 2006 is appellant echter meegedeeld dat hem in een gesprek zal worden uitgelegd waarom hij administratief verplaatst is naar de B-compagnie. Dat dit gesprek nimmer heeft plaatsgevonden, maakt dat niet anders. Uit het verslag van de hoorzitting van 18 oktober 2006 blijkt verder onmiskenbaar dat appellant aldaar heeft verklaard dat hij was overgeplaatst naar de B-compagnie in Breda en daar bijna niet werd ingezet. Ter zitting van de Raad heeft appellant nog gewezen op een verslag van een gesprek met een personeelsmanagementadviseur in januari 2007, waarin onder meer is gesproken over zijn formele overplaatsing naar de B-compagnie. Al met al komt de Raad daarom tot de slotsom dat appellant veel eerder bezwaar had kunnen maken tegen zijn overplaatsing dan hij heeft gedaan. De rechtbank heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat het bezwaar van appellant niet verschoonbaar te laat is gemaakt, zodat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit terecht in stand zijn gelaten. Het hoger beroep slaagt dus niet.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2012.



(get.) K. Zeilemaker.



(get.) M.C. Nijholt.



HD