Centrale Raad van Beroep, 24-02-2012 / 11-1727 WSF


ECLI:NL:CRVB:2012:BV6826

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om kwijtschelding. Het door de Minister gevoerde beleid kan niet als onredelijk kan worden aangemerkt. De situatie van appellant is niet zodanig dat de Minister op grond daarvan ten gunste van appellant een uitzondering op zijn beleid had behoren te maken. Het is aan de Minister te beoordelen in hoeverre hij in deze – blijkbaar – gewijzigde omstandigheden in de psychiatrische zorg aanleiding ziet zijn beleid aan te passen en/of te verduidelijken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-02-24
Publicatiedatum
2012-02-27
Zaaknummer
11-1727 WSF
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/1727 WSF


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2011, 10/79 (aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister).


Datum uitspraak: 24 februari 2012


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R.A. Rhodes, advocaat, hoger beroep ingesteld.


De Minister heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door [ H.] en mr. Rhodes. Voor de Minister is verschenen mr. K.F. Hofstee.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Bij brief van 16 januari 2009 heeft appellant de Minister verzocht om zijn studieschuld, waarvan de Minister was gestart met de invordering, buiten invordering te stellen.


1.2. Bij besluit van 27 juli 2009 heeft de Minister dit verzoek, dat is opgevat als een verzoek om kwijtschelding, na met betrekking tot het verzoek te zijn geadviseerd door een medisch deskundige, afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellant een bezwaarschrift ingediend.


1.3. Bij besluit van 4 december 2009 heeft de Minister het bezwaar tegen het besluit van 27 juli 2009 ongegrond verklaard.


2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 4 december 2009 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft overwogen dat appellant niet voldoet aan het door de Minister ontwikkelde beleid waarbij de in de wet voorziene gevallen waarin een studieschuld niet behoeft te worden terugbetaald zijn uitgebreid met een drietal situaties:

- indien er sprake is van het lijden aan een terminale ziekte met de verwachting van overlijden binnen een jaar;

- indien betrokkene gedurende lange tijd in coma ligt; en - indien het gaat om een psychiatrische patiënt die is opgenomen in een inrichting en waarbij de situatie uitzichtloos is.

Met betrekking tot dit beleid heeft de rechtbank overwogen dat dit naar vaste rechtspraak is geaccepteerd. Tevens dient dit beleid terughoudend te worden getoetst. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van appellant geen sprake van een situatie zoals omschreven in het beleid. Nu de Minister naar het oordeel van de rechtbank in de omstandigheden van appellant ook geen aanleiding heeft hoeven zien om van het beleid af te wijken, heeft de Minister het verzoek van appellant om zijn studieschuld kwijt te schelden in redelijkheid mogen afwijzen.


3.1. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot het besluit van 4 december 2009 heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Met juistheid heeft de rechtbank verwezen naar de vaste rechtspraak met betrekking tot het door de Minister gevoerde beleid, inhoudende dat dit begunstigende beleid tegen de achtergrond van hetgeen in artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000 is geregeld niet als onredelijk kan worden aangemerkt. Met de rechtbank acht de Raad de situatie van appellant niet zodanig dat de Minister op grond daarvan ten gunste van appellant een uitzondering op zijn beleid had behoren te maken. Daar komt bij dat appellant zijn studieschuld sinds 2009 naar draagkracht terugbetaalt, waarbij hij onder de zogeheten continuantenregeling valt die inhoudt dat appellant niet jaarlijks zelf voor het verstrekken van zijn inkomensgegevens hoeft zorg te dragen. Het probleem van een te late indiening van een verzoek om draagkrachtmeting – met alle nadelige gevolgen van dien – behoort daarmee tot het verleden.


3.2. Dat het beleid van de Minister naar zeggen van appellant niet (meer) aansluit bij de huidige praktijk waarbij steeds minder psychiatrische patiënten langdurig in een inrichting worden opgenomen, zodat die beleid op dat punt (gedeeltelijk) achterhaald is, leidt, gegeven de wijze waarop de Raad het beleid bij de toetsing van het besluit van

4 december 2009 moet betrekken, niet tot een ander oordeel. Het is aan de Minister te beoordelen in hoeverre hij in deze – blijkbaar – gewijzigde omstandigheden in de psychiatrische zorg aanleiding ziet zijn beleid aan te passen en/of te verduidelijken.


3.3. Ter zitting heeft appellant nog gesteld dat de problemen rond de invordering van zijn studieschuld niet, althans niet in de mate waarin zij zich nu hebben voorgedaan, zouden zijn ontstaan indien de Minister bij de besluitvorming rond de invordering rekening zou hebben gehouden met het bepaalde in artikel 2 van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Nog afgezien van de vraag of deze wet, gelet op het in de artikelen 4 tot en met 6c omschreven toepassingsbereik, wel op de zich hier voordoende situatie betrekking heeft (en mogelijk dus reeds om die reden niet zou kunnen leiden tot het door appellant beoogde resultaat), is deze stelling in een zodanig laat stadium van de procedure naar voren is gebracht dat zij wegens strijd met de goede procesorde buiten (verdere) beschouwing dient te blijven.


3.4. Uit hetgeen is overwogen in 3.1 tot en met 3.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2012.


(get.) T. Hoogenboom.


(get.) J.R. Baas.


IvR