Centrale Raad van Beroep, 24-02-2012 / 10-6879 WAO


ECLI:NL:CRVB:2012:BV6890

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om herziening. Hetgeen door verzoeker uitvoerig is aangevoerd bevat geen feiten of omstandigheden die voldoen aan de in artikel 8:88 van de Awb omschreven cumulatieve voorwaarden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-02-24
Publicatiedatum
2012-02-28
Zaaknummer
10-6879 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/6879 WAO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:


[Verzoeker], wonende te [woonplaats], Marokko (verzoeker),


om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 november 2010, 09/5180 WAO,


in het geding tussen:


verzoeker


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).


Datum uitspraak: 24 februari 2012


I. PROCESVERLOOP


Verzoeker heeft bij brief van 3 december 2010 verzocht om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 november 2010, 09/5180 WAO.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Bij brieven van 3 maart 2011 en 4 januari 2012 heeft verzoeker zijn verzoek nader aangevuld (met stukken).


Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 27 januari 2012, waar partijen niet zijn verschenen.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.


1.2. Bij de uitspraak waarvan thans om herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 september 2009, 08/3089, bevestigd. De rechtbank heeft in deze uitspraak overwogen dat zij geen aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan noch dat het daaraan ten grondslag liggende medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Wat betreft de aan de schatting ten grondslag gelegde functies heeft de rechtbank evenmin aanknopingspunten gevonden dat die functies voor verzoeker niet geschikt zouden kunnen worden geacht. De Raad heeft in zijn uitspraak van 3 november 2010 het oordeel van de rechtbank onderschreven.


2.1. Naar vaste jurisprudentie van de Raad, zoals deze blijkt uit onder andere zijn uitspraak van 3 oktober 2003, LJN AN7982, kan in het kader van het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening slechts worden beoordeeld of op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet herziening aangewezen is. Een hernieuwde discussie over de betrokken zaak en de juistheid van de betrokken uitspraak kan in dit kader niet worden gevoerd.


2.2. In hetgeen door verzoeker bij het verzoek om herziening uitvoerig is aangevoerd heeft de Raad geen feiten of omstandigheden kunnen ontdekken die voldoen aan de in artikel 8:88 van de Awb omschreven cumulatieve voorwaarden. De Raad moet dan ook vaststellen dat verzoeker met het onderhavige verzoek heeft beoogd op basis van al bekende gegevens een - bij het rechtsmiddel van herziening niet passende - hernieuwde discussie te voeren.


2.3. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 3 november 2010, 09/5180 WAO, dan ook te worden afgewezen.


3. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Wijst het verzoek om herziening af.


Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2012.


(get.) T. Hoogenboom.


(get.) I.J. Penning.


KR