Centrale Raad van Beroep, 01-05-2012 / 11-5118 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BW4766

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van twee cursussen. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college de cursuskosten terecht niet noodzakelijk heeft geacht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-05-01
Publicatiedatum
2012-05-03
Zaaknummer
11-5118 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/5118 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),


tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2011, 11/1888 (aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)


Datum uitspraak: 1 mei 2012


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. F. Verkerk, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 20 maart 2012, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant, afkomstig uit Pakistan, ontvangt sinds 12 september 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft het college aan appellant op diens verzoek toestemming verleend om de cursussen Praktijk Diploma Loonadministratie en Praktijk Diploma Boekhouding met behoud van uitkering te volgen.


1.2. Op 10 december 2010 heeft appellant een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van die cursussen, in totaal € 1.841,99. Bij besluit van 6 januari 2011 heeft het college de aanvraag afgewezen.


1.3. Bij besluit van 31 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 januari 2011 ongegrond verklaard. Aan dat besluit heeft het college, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat het volgen van de cursussen voor appellant niet noodzakelijk is en dat dus geen sprake is van noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Appellant heeft aangevoerd dat hij zonder het voltooien van de betreffende cursussen, die in het verlengde liggen van het werk dat hij destijds in Pakistan heeft verricht, geen kansen heeft op de Nederlandse arbeidsmarkt. Appellant heeft dit echter niet aannemelijk gemaakt. Appellant ontvangt bovendien eerst sedert 12 september 2010 bijstand, terwijl hem bij besluit van 13 oktober 2010 tot 20 november 2011 vanwege zijn gezondheidssituatie ontheffing van de sollicitatieverplichting is verleend. Voorts is van belang dat het college appellant niet heeft verplicht om de cursussen te gaan volgen, maar dat appellant zich op eigen initiatief hiervoor heeft aangemeld. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college de cursuskosten terecht niet noodzakelijk heeft geacht in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB. De vraag of die kosten uit bijzondere omstandigheden voortvloeien, komt dan niet meer aan de orde.


4.2. Ten slotte heeft appellant in het beroepschrift nog aangevoerd dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van zijn beleid had moeten afwijken. Die beroepsgrond treft echter geen doel, reeds omdat aan het bestreden besluit geen beleid noch een beleidsregel als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht ten grondslag is gelegd.


4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2012.


(get.) A.B.J. van der Ham.


(get.) V.C. Hartkamp.


HD