Centrale Raad van Beroep, 04-05-2012 / 11-995 WIA


ECLI:NL:CRVB:2012:BW5038

Inhoudsindicatie
Geen recht op een Wet WIA-uitkering. Gelet op de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts zijn er geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies niet voor appellant haalbaar zouden zijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-05-04
Publicatiedatum
2012-05-07
Zaaknummer
11-995 WIA
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/995 WIA


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 december 2010, 10/2272 (aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).


Datum uitspraak: 4 mei 2012



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.A.H. Theunissen, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V, kantoor Arnhem, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Mr. Theunissen heeft de gronden van het hoger beroep aangevuld en een nader stuk in het geding gebracht.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Theunissen. Het Uwv was vertegenwoordigd door

mr. W.J. Belder.



II. OVERWEGINGEN


1. Bij besluit van 12 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 december 2009, waarbij het Uwv heeft beslist dat voor appellant met ingang van 14 december 2009 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, daar hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.


2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.


2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat, gelet op de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de voor appellant per 14 december 2009 vastgestelde belastbaarheid. Daarbij heeft de rechtbank laten wegen dat appellant door beide verzekeringsartsen medisch is onderzocht en dat de bezwaarverzekeringsarts kennis heeft genomen van informatie van de huisarts van appellant en van het door appellant overgelegde rapport van psycholoog S.H. van ’t Klooster van 15 april 2010. De bezwaarverzekeringsarts heeft op grond van de beschikbare medische informatie aanwijzingen gezien voor een autisme spectrum stoornis bij appellant en heeft daarin aanleiding gevonden om de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid nog aan te vullen met diverse beperkingen.


2.3. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de reactie van de bezwaarverzekeringsarts op het door appellant ingebrachte rapport van 27 september 2010 van psycholoog A.M. Mulder en psychiater G.J. Hendriks, erop neerkomend dat dit rapport, waarin onder meer de stoornis van Asperger en een sociale fobie zijn gesteld, in essentie geen nieuwe medische gegevens bevat en dan ook niet leidt tot bijstelling van de beperkingen, ook niet met betrekking tot de voor appellant mogelijk te achten arbeidsduur.


2.4. Ten slotte heeft de rechtbank zich ook kunnen stellen achter de aan de schatting als voor appellant passende arbeidsmogelijkheden ten grondslag gelegde functies. De passendheid van die functies acht de rechtbank voldoende gemotiveerd in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 12 mei 2010.


3.1. In hoger beroep heeft appellant zijn in bezwaar en beroep naar voren gebrachte gronden herhaald. Deze komen er op neer dat door de verzekeringsartsen van het Uwv eraan is voorbij gegaan dat hij door zijn (angst)klachten nimmer goed heeft gefunctioneerd in arbeid en regelmatig heeft verzuimd. Appellant acht onjuist de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat zijn angstklachten op de datum in geding wel meevielen. Zijn angstklachten zijn mogelijk wisselend van ernst maar wel steeds aanwezig.


3.2. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stellingen een schrijven ingebracht van

5 maart 2012, van de psycholoog S.M. Wolthaar. Appellant geeft aan dat uit dit schrijven in elk geval kan worden afgeleid dat bij hem de diagnose autisme spectrum stoornis is gesteld, nader gespecificeerd als het syndroom van Asperger. Appellant handhaaft onder verwijzing naar dit schrijven zijn opvatting dat hij verdergaand beperkt is dan door het Uwv is aangenomen.


4.1. De Raad onderschrijft de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank. In hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Dergelijke aanknopingspunten acht de Raad met name ook niet gelegen in het onder 3.2 vermelde schrijven van Wolthaar.


4.2. De Raad overweegt hierbij in de eerste plaats dat uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 28 april 2010 naar voren komt dat deze, onder overweging dat de door de huisarts verstrekte informatie en het rapport van psycholoog Van ’t Klooster aanwijzingen bevatten dat bij appellant sprake is van een stoornis in het autisme spectrum, is overgegaan tot het stellen van aanvullende beperkingen. Daarbij is tot uitgangspunt genomen dat appellant is aangewezen op duidelijk gestructureerde werkzaamheden, met een voorkeur voor een eenduidige taak en in een prikkelarme omgeving waarin hij niet teveel wordt afgeleid en geen groot appel wordt gedaan op aspecten als planning en samenwerking met anderen.


4.3. In die zin vormen de vaststelling door Wolthaar dat inmiddels bij appellant de diagnose Asperger is bevestigd, en de daaraan door Wolthaar verbonden conclusie dat appellant is aangewezen op een niet drukke werkomgeving zonder veel externe prikkels, geen nieuwe gegevens. Immers de bezwaarverzekeringsarts heeft, hoewel op dat moment de diagnose Asperger wellicht nog niet was bevestigd maar nog slechts werd vermoed, bij het stellen van (aanvullende) beperkingen voor appellant, wel reeds met de mogelijkheid van die aandoening rekening gehouden. De Raad verwijst in dit verband tevens naar de reactie van de bezwaarverzekeringsarts op het rapport van Mulder en Hendriks, als hiervoor onder 2.3 in samenvatting weergegeven.


4.4. De Raad overweegt onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting nog dat (ook) in het rapport van Wolthaar geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de opvatting dat appellant als gevolg van zijn angstklachten en sociale fobie in het geheel niet meer in reguliere arbeid werkzaam zou kunnen zijn, nu Wolthuis het schrijven besluit met de opmerking dat in geval van een Aspergersyndroom overprikkeling, overbelasting en stress in minder passende werkomstandigheden altijd een rol zullen spelen. Deze opmerking vormt, naar het de Raad voorkomt, een onderlijning van de zienswijze van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant, mits in een passende werksetting, nog wel in loonvormende arbeid werkzaam kan zijn.


4.5. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit concludeert de Raad dat noch in het schrijven van Wolthaar, noch in de overige omtrent appellant voorhanden medische en/of andere gegevens, genoegzame steun kan worden gevonden voor de eigen opvatting van appellant dat hij verdergaand beperkt is te achten dan door het Uwv bij het nemen van het bestreden besluit tot uitgangspunt is genomen.


4.6. Ten slotte heeft de Raad evenmin aanleiding voor het oordeel dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies, zoals deze uiteindelijk door de bezwaararbeidsdeskundige zijn geselecteerd op basis van de door de bezwaarverzekeringsarts aangescherpte functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 28 april 2010 en na mondeling overleg met de bezwaarverzekeringsarts over de in die FML opgenomen aanvullende beperkingen, niet voor appellant haalbaar zouden zijn. De Raad wijst hierbij op de door de bezwaararbeidsdeskundige bij de functieselectie tot uitgangspunt genomen voorwaarden waaraan die functies dienen te voldoen, als hiervoor weergegeven onder 4.2, alsmede op de door de bezwaararbeidsdeskundige in het rapport van 12 mei 2010 nog gegeven afzonderlijke toelichting op de passendheid van de functies.


4.7. Het overwogene onder 4.1 tot en met 4.6 voert tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2012.


(get.) J.W. Schuttel.


(get.) G.J. van Gendt.


GdJ