Centrale Raad van Beroep, 08-05-2012 / 10-4234 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BW5084

Inhoudsindicatie
Verlaging bijstandsuitkering met 100%. Het college heeft appellant terecht aan medewerking aan het activeringstraject gehouden aangezien de medische situatie van appellant geen geldige reden opleverde om die te weigeren. Appellant heeft zich door bij herhaling geen gebruik te maken van de door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling tot twee keer toe maatregelwaardig gedragen in de zin van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Maatregelenverordening, zodat ingevolge artikel 11, eerste lid, onder b, van die verordening een maatregel van honderd procent van de bijstandsnorm voor de duur van een maand per gedraging was aangewezen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-05-08
Publicatiedatum
2012-05-09
Zaaknummer
10-4234 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/4234 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 juni 2010, 09/7884 (aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)


Datum uitspraak: 8 mei 2012



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. L. Kuijper, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2012. Voor appellant is mr. Kuijper verschenen. Het college heeft zich, zoals bericht, niet laten vertegenwoordigen.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant ontvangt al geruime tijd bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.


1.2. Op 13 augustus 2007 heeft een verzekeringsarts van DetaPlanning appellant medisch onderzocht en hem arbeidsgeschikt bevonden voor lichte werkzaamheden. Bij besluit van 20 augustus 2007 heeft het college de voor appellant geldende arbeidsverplichtingen daarop afgestemd. Tegen dat besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Op 18 december 2008 heeft een GGD-arts appellant medisch onderzocht en hem arbeidsgeschikt bevonden voor fysiek en mentaal niet al te belastende arbeid, rekening houdend met leeftijd en postuur.


1.3. Bij besluit van 15 mei 2009 heeft het college de bijstand van appellant over de maand juni 2009 verlaagd met 100% op de grond dat appellant weigert mee te werken aan het hem door Startbaan aangeboden activeringstraject. Wegens een ongewijzigde opstelling van appellant heeft het college bij besluit van 17 juni 2009 de bijstand van appellant over de maand juli 2009 wederom verlaagd met 100%.


1.4. Bij besluit van 28 september 2009 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 15 mei 2009 en 17 juni 2009 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat zijn gezondheid zodanig was verslechterd dat hij niet aan het activeringstraject kon deelnemen. Met de door hem ingebrachte medische stukken ten bewijze daarvan, heeft het college ten onrechte niets gedaan. Voor zover het college daar wel iets mee heeft gedaan, valt dat voor appellant niet na te gaan of te controleren, nu van de beoordeling door een arts geen schriftelijk verslag beschikbaar is, hetgeen eveneens onzorgvuldig is. De voorbereiding van de besluiten waarbij appellant maatregelen zijn opgelegd is gebrekkig geweest omdat hoor- en wederhoor ontbraken. Appellant heeft geen tijd gehad zijn gedrag aan te passen aangezien de maatregelen in tijd aansluitend zijn.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Maatregelenverordening leidt het niet gebruik maken van de door het college op basis van artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid, van de WWB en de daaraan ten grondslag liggende reïntegratieverordening aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale activering, tot een maatregel van de tweede categorie.


4.2. Artikel 11, eerste lid, van de Maatregelenverordening bepaalt dat, voor zover hier van belang, voor de bepaling van de hoogte en de duur van een maatregel een categorie- indeling wordt gehanteerd. De hoogte en de duur bedragen bij indeling in de tweede categorie honderd procent van de bijstandsnorm voor de duur van een maand.


4.3. Ter beoordeling ligt voor de vraag of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant arbeidsgeschikt was en dat appellant, door medewerking aan het door Startbaan aangeboden activeringstraject om gezondheidsredenen te weigeren, zich maatregelwaardig heeft gedragen. Niet in geschil is dat appellant heeft geweigerd om mee te werken aan het traject.


4.4. Vaststaat dat het besluit van 20 augustus 2007, waarbij appellant met een beperking arbeidsgeschikt is bevonden, in rechte onaantastbaar is geworden. Aan dat besluit ligt het medisch advies van DetaPlanning van 13 augustus 2007 ten grondslag. Appellant is ook nog op 18 december 2008 medisch onderzocht, met een vergelijkbare uitkomst. Laatstgenoemd advies is helder over de geschiktheid van appellant en vermeldt letterlijk dat “er geen enkele aanwijzing voor ernstige medische problematiek” is. Hoewel het advies in beginsel de besluiten van mei en juni 2009 mede kan dragen - zeker nu het advies een geldigheid heeft van 24 maanden en in lijn ligt met het eerdere medische advies van 20 augustus 2007 - kan dat anders komen te liggen wanneer appellant met recent medisch tegenbewijs komt op basis waarvan een andere conclusie kan worden gerechtvaardigd. Daarvan is hier echter geen sprake. Appellant heeft met de in bezwaar overgelegde stukken (briefje KNO-arts van 27 mei 2009, LS-briefje van de huisarts van 15 juli 2009 en een afsprakenbriefje van Bureau Altemy) niet aannemelijk gemaakt dat zijn gezondheidssituatie is verslechterd en al helemaal niet in die zin dat een medische belemmering bestaat voor deelname aan een activeringstraject. Het college heeft door de door appellant overgelegde stukken ter nadere beoordeling aan een arts voor te leggen, voldaan aan zijn verplichting de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Het had op de weg van appellant gelegen daar nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden tegenover te stellen.


4.5. Zoals onder meer blijkt uit de Rapportage Maatregel van 28 mei 2009 en de daarin opgenomen verkorte gespreksverslagen zijn aan het opleggen van de eerste maatregel gesprekken met appellant voorafgegaan op 2 februari 2009, 13 februari 2009 en 1 april 2009. Daarin heeft de betrokken medewerker van de dienst appellant uitdrukkelijk gewezen op de consequenties van het niet meewerken aan het traject. Tijdens het gesprek van 1 april 2009 heeft appellant tot 3 april 2009 de gelegenheid gekregen om alsnog mee te werken, waarbij hem is uitgelegd dat als hij dat niet doet een maatregel kan worden opgelegd van 100%. Mede gelet op het feit dat appellant ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om zijn gedrag aan te passen, terwijl hij van het begin af aan op de hoogte was van de gevolgen in het geval hij dat niet zou doen, is er geen grond voor het oordeel dat het college onzorgvuldig is geweest. Voor het opleggen van de tweede maatregel geldt hetzelfde. Ook daar heeft de dienst appellant er in het gesprek van 27 mei 2009 op gewezen wat de consequenties zijn als hij weer niet meewerkt, namelijk wederom een maatregel voor 100%, voor de maand juli. De betrokken medewerker van de dienst heeft appellant tevens de mogelijkheid geboden het traject rustig op te bouwen en samen een stappenplan op te stellen.


4.6. Dat het college de maatregelen aansluitend voor de maanden juni en juli heeft opgelegd, maakt het onder 4.5 overwogene niet anders. Appellant heeft immers de gelegenheid gekregen om tussentijds zijn gedrag aan te passen. Hij heeft daarvoor vanaf het gesprek van 27 mei 2009 tot het besluit van 17 juni 2009 de tijd gehad.


4.7. Uit het voorgaande vloeit voort dat het college appellant terecht aan medewerking aan het activeringstraject heeft gehouden en dat de medische situatie van appellant, zoals die op dat moment was, geen geldige reden opleverde om die te weigeren. Appellant heeft zich door bij herhaling geen gebruik te maken van de door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling tot twee keer toe maatregelwaardig gedragen in de zin van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Maatregelenverordening, zodat ingevolge artikel 11, eerste lid, onder b, van die verordening een maatregel van honderd procent van de bijstandsnorm voor de duur van een maand per gedraging was aangewezen.


4.8. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2012.


(get.) C. van Viegen.


(get.) N.M. van Gorkum.


HD