Centrale Raad van Beroep, 04-05-2012 / 10-544 AKW


ECLI:NL:CRVB:2012:BW5743

Inhoudsindicatie
Weigering kinderbijslag. De Raad beoordeelt of de door de Svb opgestelde beleidsregels ter zake het begrip ingezetene stelselmatig zijn toegepast. Geconcludeerd moet worden dat in ieder geval op de thans in geschil zijnde data, gelet op alle beschikbare informatie, sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland. De Svb heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellant op de peildata van het vierde kwartaal van 2008 en het eerste kwartaal van 2009 niet verzekerd was ingevolge de AKW, omdat hij toen geen ingezetene was en dus niet verzekerd was krachtens die wet. Vernietiging aangevallen uitspraak en vernietig bestreden besluit. De Svb krijgt de opdracht een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-05-04
Publicatiedatum
2012-05-15
Zaaknummer
10-544 AKW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/544 AKW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant] (appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 31 december 2009, 09/2468 (aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb).


Datum uitspraak: 4 mei 2012



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.A. Schadd, advocaat, hoger beroep ingesteld.


De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 22 augustus 2011 heeft de Svb een vraag van de Raad beantwoord.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2012. Appellant is daarbij verschenen, bijgestaan door mr. Schadd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van der Most en mr. A. Marijnissen.



II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant is [in] 1986 in Nederland geboren en bezit de Nederlandse en de Joegoslavische nationaliteit. In de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) is vermeld dat appellant zich op 11 maart 1987 vanuit België in Nederland heeft gevestigd en vanaf augustus 1998 woont op het huidige adres in Ede.


1.2. [In] juli 2007 is in Ede het kind [naam kind 1] geboren uit de relatie tussen appellant en [S.], geboren [in] 1989. Appellant heeft in augustus 2007 een aanvraag om kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ingediend bij de Svb. Op een vervolgens aan hem gezonden formulier “informatie over vestiging in Nederland” heeft appellant onder meer ingevuld dat hij sinds 6 augustus 2008 in Nederland is, dat hij niet eerder in Nederland woonde, dat hij geen verblijfsvergunning had en dat hij voor zijn komst naar Nederland geen adres had omdat hij met een caravan rondreisde. In een daarna op 2 november 2007 opgemaakt telefoonrapport is vermeld dat appellant heeft medegedeeld dat zijn partner niet permanent in Nederland mag verblijven en zij van de vreemdelingenpolitie in haar Romapaspoort steeds een stempel voor een verblijf van drie maanden krijgt. Appellant en zijn partner zouden geen vaste of woon- of verblijfplaats hebben en regelmatig in Parijs verblijven bij de familie van zijn partner.


1.3. Bij besluit van 5 november 2007 heeft de Svb geweigerd kinderbijslag aan appellant toe te kennen voor [naam kind 1], omdat appellant slechts tijdelijk in Nederland verbleef en daarom niet verzekerd was ingevolge de AKW. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft de Svb bij besluit van 18 januari 2008 ongegrond verklaard. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit.


1.4. Op 6 september 2008 is uit de relatie van appellant met [S.] in Ede het kind [naam kind 2] geboren. Appellant heeft vervolgens in december 2008 opnieuw een aanvraag om kinderbijslag ingediend bij de Svb. Op een wederom toegezonden formulier “informatie over vestiging in Nederland” heeft appellant ingevuld dat hij sedert zijn geboorte in Nederland woont en dat hij met zijn partner en kinderen inwonend is bij zijn moeder in Ede.


1.5. Bij beslissing op bezwaar van 8 juni 2009 (bestreden besluit) heeft de Svb zijn besluit van 20 januari 2009 gehandhaafd, waarbij vanaf het vierde kwartaal van 2008 kinderbijslag is geweigerd aan appellant, omdat hij niet verzekerd was ingevolge de AKW.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat appellant de door hem zelf gezaaide twijfel over zijn woonplaats vanaf zijn geboorte niet heeft weggenomen. De namens appellant overgelegde verklaringen, van enkele personen over het wonen van appellant in Nederland, hebben de rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen brengen.


3. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat hij vanaf zijn geboorte in Nederland woont.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat gezien de datum van het besluit van 20 januari 2009 in dit geding aan de orde is of appellant op de peildata van het vierde kwartaal van 2008 en het eerste kwartaal van 2009 als ingezetene van Nederland kan worden beschouwd.


4.2. In artikel 6 van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld.


4.3. In zijn arresten van 21 januari 2011 (LJN BP1466) en 4 maart 2011 (LJN BP6285) heeft de Hoge Raad overwogen dat het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aankomt of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt. Uit de parlementaire geschiedenis van het fiscale woonplaatsbegrip volgt volgens de Hoge Raad dat de wetgever geen bijzondere betekenis heeft willen toekennen aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals iemands sociale of economische binding met een land. Die parlementaire geschiedenis acht de Hoge Raad ook maatgevend voor de uitleg van het begrip woonplaats in de AKW. In het licht daarvan moet worden aangenomen dat voor de aanwezigheid van een woonplaats in Nederland niet is vereist dat de betrokkene economische banden met Nederland heeft, bijvoorbeeld door het verrichten van betaalde arbeid.


4.4. Naar aanleiding van deze arresten heeft de Svb aangekondigd dat zijn - wetsinterpreterend - beleid ten aanzien van ingezetenschap gewijzigd zal worden. In een brief van 10 augustus 2011 gericht aan de president van de Raad heeft de Svb de thans gehanteerde uitgangspunten bij de beoordeling van ingezetenschap medegedeeld en nader toegelicht. Deze uitgangspunten, die blijkens een mededeling ter zitting binnenkort in de Beleidsregels Svb nader kenbaar gemaakt zullen worden, komen er - kort en op hoofdlijnen samengevat - op neer dat de Svb wonen in Nederland aanneemt als sprake is van een persoonlijke band van duurzame aard tussen betrokkene en Nederland. Of sprake is van zo’n band wordt beoordeeld aan de hand van alle in aanmerking komende feiten en omstandigheden van het geval. Bepalend is of uit de uiterlijke feiten en omstandigheden blijkt dat de banden van betrokkene met Nederland voldoende sterk zijn om te kunnen aannemen dat hij hier te lande het middelpunt van zijn persoonlijke levensbelangen heeft. Objectieve en subjectieve factoren als woon- en werkomgeving, gezin, financiën en inschrijving in het bevolkingsregister worden tegen elkaar afgewogen om tot een eindoordeel te komen. Er wordt niet beslist op basis van één factor, het onderlinge verband van factoren is doorslaggevend.

Factoren waar de Svb in dit verband in het bijzonder acht op slaat zijn de duurzaamheid van het verblijf in Nederland of elders en het al dan niet kunnen beschikken over een duurzame woning in Nederland. Voor zover op basis van het geheel van feiten en omstandigheden niet ondubbelzinnig kan worden vastgesteld waar een betrokkene woont, acht de Svb het kunnen beschikken over een duurzame woning een doorslaggevende factor. De intentie van een betrokkene om in Nederland te wonen acht de Svb van belang indien deze blijkt uit objectieve feiten en omstandigheden en deze ook verwezenlijkt kan worden. Bij de beoordeling van de persoonlijke band met Nederland betrekt de Svb een groot aantal feiten en omstandigheden zoals, onder meer, de plaats waar het gezin van betrokkene verblijft, de aanwezigheid van familie in Nederland, de wijze waarop in het onderhoud wordt voorzien en het volgen van een cursus Nederlandse taal of andere opleidingen.

Ten slotte gaat de Svb ervan uit dat een betrokkene slechts in één land tegelijk woonachtig kan zijn.


4.5. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 27 oktober 2006 (LJN AZ2599) is het de exclusieve taak van de rechter om in procedures als de onderhavige het wettelijk begrip ingezetene uit te leggen. Daarmee is niet gezegd dat de Svb geen wetsinterpreterende beleidsregels mag opstellen, maar deze regels kunnen de rechter niet binden. Zij zijn in het algemeen dus niet van doorslaggevende betekenis voor het antwoord op de vraag of een betrokkene als ingezetene moet worden aangemerkt, met dien verstande dat wel steeds beoordeeld moet worden of de Svb zijn beleidsregels ter zake, voor zover daarin sprake is van een begunstigende uitleg van de wet, ook stelselmatig heeft toegepast.


4.6. Ten aanzien van deze beoordeling moet voorop worden gesteld dat appellant de Nederlandse nationaliteit bezit en in ieder geval vanaf 1987 in de GBA is geregistreerd als wonend in Nederland. Niet is gebleken van duidelijke en controleerbare gegevens die, wijzend op duurzame banden van persoonlijke aard tussen appellant en enig ander land, een afwijking van deze registratie kunnen rechtvaardigen. De Svb heeft terecht opgemerkt dat twijfel is ontstaan over deze registratie na kennisneming van het door appellant in 2007 ingevuld formulier “informatie over vestiging in Nederland”. Daaruit zou inderdaad geconcludeerd kunnen worden dat appellant voor augustus 2006 buiten Nederland heeft verbleven. Namens appellant is echter aangevoerd dat sprake is van een misverstand en dat de vermelde informatie betrekking heeft op zijn partner [S.]. Deze verklaring is alleszins aannemelijk te achten, nu in ieder geval een belangrijk deel van de verstrekte informatie redelijkerwijs niet op appellant betrekking kan hebben. Zo is voor appellant als onderdaan van Nederland geen verblijfsvergunning vereist en heeft appellant in ieder geval vanaf 1987 een adres in Nederland. Verder heeft appellant dit formulier in het kader van de in dit geding van belang zijnde aanvraag geheel anders ingevuld. Het enkele feit dat appellant met zijn partner ook regelmatig de familie van zijn partner in Frankrijk bezoekt, behoeft ten slotte geen afbreuk te doen aan zijn duurzame banden van persoonlijke aard met Nederland.


4.7. Daar gelaten de vraag of in 2007 al enige twijfel omtrent het ingezetenschap van appellant gerechtvaardigd was, moet geconcludeerd worden dat in ieder geval op de thans in geschil zijnde data, gelet op alle beschikbare informatie, sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland. Naast de feiten dat appellant als inwoner van Ede ingeschreven is in de GBA en de Nederlandse nationaliteit bezit is hierbij van belang dat beide kinderen van appellant en zijn partner ook in Ede zijn geboren en op het adres van appellant te Ede staan ingeschreven in de GBA. Ook de door appellant in beroep overgelegde verklaringen wijzen op een duurzaam verblijf van appellant met zijn gezin in Ede.


4.8. De Svb heeft zich derhalve ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellant op de peildata van het vierde kwartaal van 2008 en het eerste kwartaal van 2009 niet verzekerd was ingevolge de AKW, omdat hij toen geen ingezetene was en dus niet verzekerd was krachtens die wet.


4.9. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.8 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden. Het beroep van appellant dient gegrond verklaard te worden en het bestreden besluit dient vernietigd te worden. Voor het doen van een tussenuitspraak ziet de Raad geen ruimte. Een opdracht aan de Svb op grond van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip woonplaats. Derhalve zal de Raad bepalen dat de Svb een nieuwe beslissing op bezwaar neemt.


5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- in beroep en € 874,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten dienen aan de griffier van de Raad betaald te worden, aangezien ten behoeve van appellant toevoegingen zijn verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 11 juni 2009;

Bepaalt dat de Svb een nieuw besluit op het bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt Svb in de proceskosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.518,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Svb aan appellant het betaalde griffierecht ad € 151,- dient te vergoeden.


Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2012.


(get.) M.M. van der Kade


(get.) J.R. Baas


Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.


TM