Centrale Raad van Beroep, 09-05-2012 / 10-1046 WAO


ECLI:NL:CRVB:2012:BW5778

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Er is geen aanleiding het oordeel van de onafhankelijke door de Raad ingeschakelde deskundige niet te volgen. Het standpunt van het Uwv dat de bevindingen en de conclusies van deskundige de ten aanzien van appellant aangenomen psychische beperkingen bevestigen, wordt onderschreven. De beschikbare medische gegevens en hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd bevatten geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant ten gevolge van de suikerziekte en rugproblematiek meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit zijn er geen redenen om niet ook de arbeidskundige grondslag als juist te aanvaarden. Bevestiging aangevallen uitspraak. Het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-05-09
Publicatiedatum
2012-05-15
Zaaknummer
10-1046 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/1046 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant)


tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 januari 2010, 07/3260

(aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).


Datum uitspraak: 9 mei 2012



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. E.R. Lambooy, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lambooy. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.M. Schalkwijk. Het onderzoek is ter zitting geschorst.


De door de Raad als deskundige benoemde psychiater prof. dr. R.A. Schoevers heeft op 20 september 2011 gerapporteerd. Partijen hebben hun zienswijze op het deskundigenrapport ingezonden. Bij brief van 25 november 2011 heeft de deskundige op deze zienswijzen gereageerd.


Het onderzoek ter zitting is voorgezet op 28 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lambooy. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.M.M. Schalkwijk.



II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant ontving in verband met psychische klachten een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na medisch en arbeidskundig heronderzoek heeft het Uwv bij besluit van 31 juli 2006 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 13 september 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen geschikt is voor het vervullen van passende functies.


1.2. Naar aanleiding van het bezwaar is appellant op verzoek van het Uwv onderzocht door psychiater B. Oskam. Op grond van de bevindingen van dit onderzoek en de door appellant ingebrachte informatie van de behandelend sector heeft de bezwaarverzekeringsarts de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op 5 maart 2007 aangepast. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige enkele van de geduide functies laten vervallen. Bij besluit van 11 oktober 2007 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 13 september 2006 vastgesteld op 45 tot 55%.


2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in navolging van het oordeel van de door haar als deskundige ingeschakelde psychiater dr. J.W.G. Meissner de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Deze deskundige komt in zijn rapport van 12 november 2008 tot de conclusie dat bij appellant op 13 september 2006 sprake was van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met theatrale en narcistische trekken, die gepaard kan gaan met depressieve symptomatologie in zeer wisselende ernst en kennelijk redelijk goed behandelbaar is met antidepressiva. De deskundige onderschrijft niet het standpunt van de behandelend psychiater dat appellant niet in staat is te functioneren in een normale arbeidssituatie en ziet op basis van zijn bevindingen geen aanleiding om aan te nemen dat appellant geen benutbare mogelijkheden zou hebben. De deskundige kan zich verenigen met de bevindingen van psychiater Oskam en de door de bezwaarverzekeringsarts aangegeven beperkingen op de FML van 5 maart 2007.


2.2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het bestreden besluit met betrekking tot de arbeidskundige grondslag op een onvoldoende draagkrachtige motivering berust. Nu in beroep de bezwaararbeidsdeskundige met zijn rapport van 26 november 2008 alsnog toereikend heeft gemotiveerd dat de voor appellant geduide functies zijn belastbaarheid niet overschrijden, heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.


2.3. De rechtbank heeft tenslotte bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van appellant om schadevergoeding met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn door het Uwv en het vermoeden van overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank.


3.1. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven. Appellant handhaaft zijn standpunt dat gelet op de psychische klachten, rugproblemen en suikerziekte zijn beperkingen op en na de datum in geding, 13 september 2006, niet juist zijn vastgesteld. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij een rapport van psychiater M. Kazemier van 9 november 2010 ingebracht. Kazemier is van oordeel dat in de FML van 5 maart 2007 geen rekening is gehouden met de depressiviteit van appellant. Verder heeft appellant gewezen op het besluit van 22 augustus 2011, waarbij het Uwv de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van 7 februari 2011 heeft vastgesteld op 80 tot 100%. Ten slotte heeft appellant verzocht om vergoeding vanwege de geleden schade ten gevolge van de onjuiste beslissingen van het Uwv en de overschrijding van de redelijke termijn door de Raad.


3.2. Het Uwv heeft verzocht de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1. De Raad heeft in hetgeen in de medische stukken vermeld staat en in hetgeen appellant aangevoerd heeft, aanleiding gezien psychiater prof. dr. R.A. Schoevers als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. In zijn rapport van 20 september 2011 heeft deskundige Schoevers vastgesteld dat op de datum in geding, 13 september 2006, er sprake moet zijn geweest van een:

As I: 296.36 Depressieve stoornis in remissie

As II: gemengde persoonlijkheidsstoornis met cluster B en C trekken

As III: rest status na rugoperatie, moeilijk te reguleren diabetes mellitus type 2

As IV: een sterk verstoord dagnachtritme, passiviteit, onvrede en onvermogen om deze levenswijze te doorbreken.

As V: GAF-score 71.

Volgens Schoevers concludeert de bezwaarverzekeringsarts onterecht uit het feit dat psychiater Oskam geen diagnose stelt op As I, maar spreekt van ‘V 71.09 depressieve klachten goeddeels in remissie’, dat er in de belastbaarheid van de appellant geen rekening gehouden hoeft te worden met een chronisch recidiverende depressieve stoornis. Bij het vaststellen van de belastbaarheid moet rekening worden gehouden met recidiverende depressieve episodes waarbij appellant in een neerwaartse levensspiraal is terecht gekomen en er langdurig sprake is van onvermogen om tot persoonlijk en sociaal functioneren te komen. Niet is met volledige zekerheid te beoordelen of appellant in september 2006 in staat was tot het verrichten van de geduide werkzaamheden. Uit het onderzoek en de diverse verstrekte gegevens lijkt te kunnen worden opgemaakt dat er in de periode september 2006 sprake was van een remissie van de depressieve stoornis. Uit het verdere beloop van de aandoening is retrospectief vast te stellen dat de veronderstelde verbetering niet heeft plaatsgevonden. Schoevers concludeert dat het waarschijnlijk is dat de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde beperkingen op dat moment (september 2006) een rol speelden.


4.1.2. Het Uwv heeft bij brief van 21 oktober 2011 meegedeeld in het deskundigenrapport een bevestiging te zien van zijn ingenomen standpunt ten aanzien van de beperkingen van appellant. In het bij die brief gevoegde rapport van 21 oktober 2011 wijst de bezwaarverzekeringsarts erop dat Schoevers stelt dat ten tijde van de datum in geding er sprake was van een depressieve stoornis in gedeeltelijke remissie. Het Uwv hield de diagnose depressieve klachten in remissie aan. Het aangenomen functioneringsniveau, zoals uitgedrukt in de GAF-score, is identiek, te weten 71. Binnen de DSM-systematiek kan daarmee op zijn minst gesproken worden van een in het algemeen redelijk functioneren. Een dergelijk niveau van functioneren sluit functioneren in arbeid met enige beperkingen in het geheel niet uit. De bezwaarverzekeringsarts ziet in essentie geen wezenlijk verschil in de beoordelingen van Schoevers en Oskam en concludeert dat het rapport van Schoevers feitelijk overeenkomt met de visie op de psychische stoornis van appellant zoals het Uwv die ziet. De zorgvuldige kanttekeningen van Schoevers bij het toch wel structurele maar ook wisselende karakter van de depressieve klachten, bevestigen de aard van de aangenomen beperkingen. Eén en ander is verder ook in lijn met de beoordeling door de rechtbankdeskundige Meissner, aldus de bezwaarverzekeringsarts.


4.1.3. Namens appellant is bij brief van 24 oktober 2011 aangevoerd dat op basis van het rapport van deskundige Schoevers de FML van 5 maart 2007 op een aantal onderdelen moet worden aangepast.


4.1.4. Bij brief van 25 november 2011 heeft Schoevers meegedeeld dat de zienswijzen van het Uwv en appellant geen aanleiding geven tot aanvulling of wijziging van de conclusies zoals die zijn beschreven in het rapport van 20 september 2011.


4.2.1. In de vaste rechtspraak van de Raad ligt het uitgangspunt besloten dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Dit kan onder meer anders zijn als uit de reactie van die deskundige op de zienswijzen van partijen op zijn bevindingen en conclusies moet worden afgeleid dat de deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen.


4.2.2. Naar het oordeel van de Raad heeft deskundige Schoevers zijn oordeel gebaseerd op uitvoerig onderzoek en na kennisneming van de in het dossier aanwezige, op appellant betrekking hebbende stukken, waaronder alle eerder over appellant uitgebrachte medische rapporten. Schoevers heeft zijn oordeel inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd en bovendien gehandhaafd na kennisneming van de ingebrachte zienswijzen. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding heeft gevonden om met betrekking tot het oordeel van deskundige Schoevers af te wijken van het in 4.2.1 vermelde uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van zijn ingeschakelde deskundige in beginsel volgt.


4.2.3. De Raad onderschrijft voorts het standpunt van het Uwv - in navolging van de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts in diens rapport van 21 oktober 2011 - dat de bevindingen en de conclusies van deskundige Schoevers de ten aanzien van appellant met ingang van 13 september 2006 aangenomen psychische beperkingen, zoals vastgelegd in de FML van 5 maart 2007, bevestigen. Naar het oordeel van de Raad vloeien uit het rapport van de deskundige niet meer of ernstiger beperkingen ten gevolge van de psychische problematiek voort dan reeds door het Uwv is aangenomen. De omstandigheid dat de deskundige retrospectief heeft vastgesteld dat de veronderstelde verdere verbetering van functioneren na de datum in geding niet heeft plaatsgevonden, geeft de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel. De deskundige heeft immers aangegeven dat met de geschetste beperkingen van een onderzoek achteraf het daarom waarschijnlijk is dat de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde beperkingen per datum in geding een rol speelden.


4.2.4. Ook de gevolgen van de suikerziekte voor appellant en zijn rugklachten zijn naar het oordeel van de Raad voldoende vertaald in de FML van 5 maart 2007. Uit het rapport van 5 maart 2007 van de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat deze de informatie van de behandelend sector bij zijn beoordeling heeft betrokken en daarin aanleiding heeft gezien de FML op enkele onderdelen aan te passen. De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens en hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellant ten gevolge van de suikerziekte en rugproblematiek meer beperkt is dan door het Uwv met de FML van 5 maart 2007 is aangenomen. Daarbij merkt de Raad op dat appellant in hoger beroep, evenmin als in beroep, nieuwe medische gegevens ter ondersteuning van zijn standpunt heeft overgelegd.


4.2.5. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de medische grondslag van het bestreden moet worden onderschreven.


4.3. Uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit zijn er geen redenen om niet ook de arbeidskundige grondslag als juist te aanvaarden. In het arbeidskundig rapport van 26 november 2008, zoals nader toegelicht in de in hoger beroep overgelegde arbeidskundige rapporten, is de medische geschiktheid van appellant voor de (resterende) functies afdoende gemotiveerd.


4.4. Uit 4.1.1 tot en met 4.3 volgt dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd. Het verzoek om vergoeding vanwege geleden schade ten gevolge de onjuiste beslissingen van het Uwv wordt afgewezen, nu van dergelijke schade niet is gebleken.


4.5. Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt de Raad als volgt. De behandeling van het hoger beroep door de Raad heeft vanaf de ontvangst van het hogerberoepschrift op 16 februari 2010 tot de datum van deze uitspraak, 9 mei 2012, twee jaar en bijna twee maanden geduurd. In de uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, heeft de Raad overwogen dat de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren. De Raad heeft noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de behandeling van het hoger beroep meer dan twee jaar mag duren, zodat daaraan het vermoeden wordt ontleend dat de redelijk termijn in de fase van het hoger beroep is overschreden. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) aan als partij in die procedure.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 12/2566 ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) aan als partij in die procedure.


Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2012.


(get.) Ch. van Voorst.


(get.) I.J. Penning.


NW