Centrale Raad van Beroep, 04-05-2012 / 10-6468 WAO


ECLI:NL:CRVB:2012:BW6292

Inhoudsindicatie
Intrekking tegemoetkoming en terugvordering. Appellante voldeed - achteraf - niet aan de voorwaarden voor een tegemoetkoming ingevolge de TRI. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld zijn de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van het Uwv ook op de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming van toepassing. Het kon appellante redelijkerwijs duidelijk zijn dat zij ten onrechte uitkering ingevolge de TRI ontving. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel faalt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-05-04
Publicatiedatum
2012-05-23
Zaaknummer
10-6468 WAO
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/6468 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellante], wonende te [appellante] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 oktober 2010, 09/860 (aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).


Datum uitspraak: 4 mei 2012


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. E. ’t Jong hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2012, waar appellante en haar gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100 ten bedrage van € 766,69 bruto per maand. Bij besluit van 10 april 2006 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 8 juni 2006 ingetrokken omdat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.


1.2. Appellante heeft vervolgens een tegemoetkoming ingevolge de Tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (TRI) aangevraagd. Daarbij heeft zij vermeld dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ging aanvragen.


1.3. Bij besluit van 29 mei 2006 is aan appellante met ingang van 8 juni 2006 een voorschot op de uitkering ingevolge de WW toegekend ten bedrage van € 568,- per maand.


1.4. Bij besluit van 6 juni 2006 is haar voorts met ingang van 8 juni 2006, bij gelijkblijvende omstandigheden tot en met 7 december 2006, een tegemoetkoming ingevolge de TRI toegekend van € 38,08 bruto per dag (= € 828,24 per maand). Daarbij is vermeld dat de tegemoetkoming het verschil bedraagt tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering voor en na 8 juni 2006.


1.5. Bij besluit van 4 juli 2007 is de uitkering ingevolge de WAO met ingang van 8 juni 2006 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.


1.6. Appellante heeft op 2 juli 2007 een verlenging van de tegemoetkoming ingevolge de TRI aangevraagd. Bij besluit van 26 juli 2007 is haar met ingang van 5 juli 2007, bij gelijkblijvende omstandigheden tot en met 4 januari 2008, een tegemoetkoming toegekend ten bedrage van € 39,41 bruto per dag (= € 857,17 bruto per maand). Daarbij is vermeld dat de definitieve hoogte van de tegemoetkoming zo snel mogelijk na 4 januari 2008 wordt vastgesteld. Vermeld is dat indien de definitieve vaststelling afwijkt van het toegekende voorschot, een nabetaling of een terugvordering zal volgen.


1.7. Bij besluit van 25 januari 2008, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 22 mei 2008, heeft het Uwv aan appellante met ingang van 22 februari 2007 een uitkering ingevolge de WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% ten bedrage van € 776,69 bruto per maand.


1.8. Bij besluit van 13 februari 2008 heeft het Uwv appellante bericht dat de bij wijze van voorschot betaalde tegemoetkoming op grond van de TRI, correct is berekend en dat appellante niets hoeft terug te betalen. Daarbij is vermeld dat de tegemoetkoming op grond van de TRI het verschil bedraagt tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering voor en na de datum waarop de uitkering is verlaagd of ingetrokken.


1.9. Bij besluit op bezwaar van 22 augustus 2008 heeft het Uwv - nadat de rechtbank Maastricht op 1 april 2008 het besluit op bezwaar van 4 juli 2007 had vernietigd en het Uwv had opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen - aan appellante met ingang van 8 juni 2008 (lees: 2006) een uitkering ingevolge de WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.10. Bij brief van 5 september 2008 heeft het Uwv appellante bericht dat de alsnog te betalen uitkering ingevolge de WAO over de periode 8 juni 2006 tot 22 februari 2007 zal worden verrekend met de in diezelfde periode ontvangen uitkering ingevolge de WW.


1.11. Bij besluit van 10 februari 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante over de periode van 8 juni 2006 tot en met 7 december 2006 geen recht had op een tegemoetkoming ingevolge de TRI omdat is komen vast te staan - na een procedure tegen het besluit tot beëindigen van de uitkering ingevolge de WAO - dat zij over die periode recht had op een uitkering ingevolge de WAO. Er is op grond van de TRI een bedrag van € 4.978,40 bruto onverschuldigd betaald en dit zal van appellante worden teruggevorderd. Verrekening is niet mogelijk.


1.12. Bij besluit van 4 maart 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante over de periode van 5 juli 2007 tot en met 4 januari 2008 geen recht op een tegemoetkoming ingevolge de TRI had, omdat is komen vast te staan - na een procedure tegen de beëindiging van de uitkering ingevolge de WAO - dat zij over die periode recht had op een uitkering ingevolge de WAO. Er is over die periode op grond van de TRI een bedrag van € 5.177,24 bruto onverschuldigd betaald en dit zal van appellante worden teruggevorderd. Verrekening van dit bedrag met de alsnog toegekende uitkering ingevolge de WAO is niet mogelijk. Het besluit van 13 februari 2008 komt te vervallen.


1.13. Bij besluit van 11 mei 2009 (bestreden besluit) zijn de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 10 februari 2009 en 4 maart 2009 ongegrond verklaard. Gelet op de onzorgvuldigheden die hebben plaatsgevonden wil het Uwv appellante enigszins tegemoetkomen en wordt het totale bruto bedrag van de terugvordering van € 10.155,64 verlaagd naar € 8.529,97. Dat is het bedrag dat netto aan appellante is betaald.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellante als gevolg van het besluit op bezwaar van 22 augustus 2008 recht had op een per 8 juni 2006 ongewijzigde WAO-uitkering, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daardoor kon zij geen recht meer doen gelden op een tegemoetkoming ingevolge de TRI. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van het Uwv (Stc. 2006, 230), waarop appellante zich beroept, niet van toepassing. Naar vaste rechtspraak van de Raad

(CRvB 17 december 2008, LJN BG9009) moet de TRI worden aangemerkt als een subsidieregeling waarop hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is.


3. In hoger beroep heeft appellante in essentie haar beroepsgronden herhaald. Appellante blijft van mening - kort gezegd - dat de definitief toegekende tegemoetkoming op grond van de TRI niet herzien mag worden en dat, voorzover wel herzien mag worden, dit niet automatisch leidt tot het moeten terugbetalen van de volledige tegemoetkoming.


4. De Raad overweegt het volgende.


4.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de TRI wordt de tegemoetkoming door het Uwv bij wege van een naar redelijkheid vast te stellen voorschot betaalbaar gesteld. Ingevolge het derde en vierde lid wordt de hoogte van de tegemoetkoming zo spoedig mogelijk na het verstrijken van de periode waarover de herbeoordeelde recht heeft op een tegemoetkoming definitief vastgesteld en wordt de te veel betaalde tegemoetkoming teruggevorderd of de te weinig betaalde tegemoetkoming alsnog betaald. Voorts bepaalt de TRI in artikel 2, zesde lid dat onder andere de artikelen 36a en 57 van de WAO van overeenkomstige toepassing zijn, voorzover in de TRI niet anders wordt bepaald. Artikel 36a, aanhef en onder b en c van de WAO bepaalt dat het Uwv een beschikking tot toekenning van een WAO-uitkering herziet of intrekt indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80 van de WAO heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering of indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.


4.2. Op grond van artikel 4, derde lid, van de TRI en artikel 36a van de WAO diende het Uwv de definitief vastgestelde TRI-tegemoetkoming van appellante over de periode van 8 juni 2006 tot en met 7 december 2006 en de periode van 5 juli 2007 tot en met 4 januari 2008 met terugwerkende kracht te herzien. De mate van appellantes arbeidsongeschiktheid is in 2008 aanvankelijk per 22 februari 2007 en later per 8 juni 2006 ongewijzigd vastgesteld op 80 tot 100%. Appellante voldeed daardoor - achteraf - niet aan de voorwaarden voor een tegemoetkoming ingevolge de TRI.


4.3. Het Uwv heeft gesteld dat het beleid dat wordt gevoerd bij de toepassing van artikel 36a van de WAO ook wordt gevoerd indien artikel 36a van de WAO op grond van artikel 2, zesde lid, van de TRI ten aanzien van de tegemoetkoming wordt toegepast. De Raad is daarom, anders dan de rechtbank, van oordeel dat dit beleid ook op de definitieve vaststelling van die tegemoetkoming van toepassing is. Artikel 3, derde lid van de in overweging 2 vermelde Beleidsregels van het Uwv voorziet erin dat van intrekking of herziening met terugwerkende kracht wordt afgezien indien het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregels wordt, in dat geval, de uitkering ingetrokken of herzien met ingang van de dag waarop Uwv hem voor het eerst kenbaar heeft gemaakt dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt. Indien, zo bepaalt het tweede lid, aan de verzekerde over een periode waarover ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt terwijl dat hem niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn, een andere uitkering wordt toegekend, wordt de eerstgenoemde uitkering ingetrokken of herzien met ingang van de dag waarop de andere uitkering ingaat. De ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering wordt met de andere uitkering verrekend. Voor zover een hoger bedrag is uitgekeerd dan het bedrag van de andere uitkering wordt het meerdere niet teruggevorderd.


4.4. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat het haar niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat zij een te hoge uitkering ingevolge de TRI ontving en dat het Uwv niet diende te herzien met terugwerkende kracht althans dat het Uwv het meerdere op grond van het beleid niet diende terug te vorderen. Appellante beroept zich in het bijzonder op de laatste zin van het in 4.3 vermelde beleid.


4.5. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 16 juli 2010, LJN BN2197, overweegt de Raad dat de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 die het Uwv bij de toepassing van artikel 36a van de WAO in samenhang van artikel 4 van de TRI hanteert, dienen te worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient een dergelijk beleid terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast.


4.6. De Raad is van oordeel dat het appellante redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij ten onrechte uitkering ingevolge de TRI ontving. Aanvankelijk is met ingang van juni 2006 de WAO-uitkering van appellante ten bedrage van € 766,69 bruto per maand beëindigd. Het had appellante in de eerste plaats reeds vanaf juni 2006 redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de toegekende TRI-tegemoetkoming van € 828,24 bruto per maand met ingang van juni 2006 te hoog was, voor zover deze het bedrag van de uitkering ingevolge de WAO oversteeg. Voorts ontving zij met ingang van juni 2006 een uitkering ingevolge de WW ten bedrage van € 568, - bruto per maand. Het had haar, eveneens met ingang van juni 2006, redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat niet zowel de TRI als de WW tot uitkering konden komen bij het eindigen van de uitkering ingevolge de WAO. Tot slot is de Raad van oordeel dat het appellante, nu zij vanaf de intrekking van de uitkering ingevolge de WAO stelselmatig heeft betoogd dat zij volledig arbeidsongeschikt is gebleven, redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij geen recht op een tegemoetkoming ingevolge de TRI zou hebben, indien zij in bezwaar of in beroep in haar standpunt zou worden gevolgd dat zij op 8 juni 2006 onveranderd arbeidsongeschikt naar een mate van 80 tot 100% zou worden geacht. Het Uwv heeft het beleid op consistente wijze toegepast met het besluit dat de tegemoetkoming ingevolge de TRI met volledig terugwerkende kracht dient te worden herzien. Aan toetsing van het bestreden besluit aan de onderdelen van het beleid waar appellante zich op beroept en die zien op een situatie waarin het aan een betrokkene niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat ten onrechte uitkering werd ontvangen, wordt dan niet meer toegekomen.


4.7. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel, op grond waarvan het Uwv volgens appellante had moeten afzien van herziening van de uitkering ingevolge de TRI, faalt. Daarbij is van belang dat appellante, gezien hetgeen in 4.6 is overwogen, niet de gerechtvaardigde verwachting mocht hebben dat zij onverkort recht zou hebben dan wel houden op de TRI-tegemoetkoming. Voorts is van belang dat niet is gebleken dat van de zijde van het Uwv schriftelijke mededelingen of toezeggingen aan appellante zijn gedaan waaraan deze het gerechtvaardigde vertrouwen heeft mogen ontlenen dat zij niet met een herziening van de uitkering ingevolge de TRI met terugwerkende kracht zou (kunnen) worden geconfronteerd. In dit verband wijst de Raad er op dat bij besluit van 25 januari 2008, dus voordat bij besluit van 13 februari 2008 de tegemoetkoming ingevolge de TRI op grond van artikel 4, derde lid, van de TRI definitief werd vastgesteld op het bij de ingangsdatum bij wijze van voorschot toegekende bedrag, reeds met ingang van 22 februari 2007 een uitkering ingevolge de WAO naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% is toegekend en nadien op 22 augustus 2008 een zodanige uitkering met ingang van 8 juni 2006. Gezien het feit dat aan appellante verschillende keren - ook in het besluit van 13 februari 2008 - uitdrukkelijk is meegedeeld dat de tegemoetkoming ingevolge de TRI het verschil bedraagt tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering voor en na de datum waarop de uitkering is verlaagd of ingetrokken, had het appellante duidelijk moeten zijn dat het besluit van 13 februari 2008 op een vergissing van het Uwv berustte. Aan het besluit van 13 februari 2008 kon appellante om die reden geen vertrouwen ontlenen. Vanaf 22 februari 2007 was de arbeidsongeschiktheidsuitkering immers niet meer ingetrokken en had appellant in ieder geval geen recht op een uitkering ingevolge de TRI. Eén en ander bleek nadien zelfs te gelden vanaf 8 juni 2006.


4.8. Het hoger beroep slaagt, gelet op de overwegingen 4.1 tot en 4.7, niet. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden besvestigd.


5. Er is geen aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter, en C.W.J. Schoor en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2012.


(get.) T. Hoogenboom.


(get.) I.J. Penning.


CVG