Centrale Raad van Beroep, 08-05-2012 / 11-5460 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BW6523

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstandsuitkering. Appellant heeft nagelaten de gevraagde gegevens tijdig in te leveren. Niet kan worden geoordeeld dat het appellant niet kan worden verweten dat hij verzuimd heeft tijdig de gevraagde gegevens en bewijsstukken te verstrekken. Daarom was het dagelijks bestuur bevoegd om de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB in te trekken. Anders dan appellant betoogt, is de intrekking van bijstand geen punitieve of bestraffende sanctie, maar een op herstel gerichte maatregel.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-05-08
Publicatiedatum
2012-05-24
Zaaknummer
11-5460 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/5460 WWB


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 augustus 2011, 11/232 (aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Kompas gemeentelijk collectief voor werk, inkomen en zorg (dagelijks bestuur)


Datum uitspraak: 8 mei 2012


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P.H.L. Dankers, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het dagelijks bestuur heeft geen verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dankers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.M. Limpens.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2. In het kader van periodiek onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand heeft het dagelijks bestuur appellant met een brief van 17 augustus 2010 meegedeeld dat hij uiterlijk voor 4 september 2010 een door hem ingevuld en ondertekend heronderzoeksformulier WWB en bepaalde bewijsstukken moet indienen. Appellant heeft op deze brief niet gereageerd.


1.3. Bij besluit van 15 september 2010 heeft het college het recht op bijstand van appellant opgeschort met ingang van 3 september 2010 op de grond dat hij heeft nagelaten de gevraagde gegevens tijdig in te leveren. Daarbij heeft het college appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen door de gevraagde gegevens uiterlijk op 24 september 2010 alsnog te overleggen. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel gericht en evenmin de gevraagde gegevens overgelegd.


1.4. Bij besluit van 28 september 2010 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant per

3 september 2010 ingetrokken.


1.5. Bij besluit van 11 januari 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 september 2010 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt dat hem niet kan worden verweten dat de gevraagde gegevens niet tijdig zijn overgelegd omdat dit verzuim het gevolg is van zijn medische klachten. Het dagelijks bestuur is van die klachten op de hoogte en had dit in zijn besluitvorming moeten meewegen. Het dagelijks bestuur had moeten afzien van het opleggen van een sanctie of een minder verstrekkende sanctie moeten opleggen, zoals bijvoorbeeld een korting op de uitkering. De sanctie is bovendien te zwaar gelet op de aard van de overtreding. Appellant beschikt over onvoldoende middelen om een periode zonder bijstand financieel op te kunnen vangen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten. Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de WWB doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort


4.2. Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel ingesteld, zodat in dit geding slechts aan de orde is de vraag of het bestreden besluit tot intrekking van de bijstand met ingang van 3 september 2010 in rechte stand kan houden. Het geding spitst zich toe op de vraag of appellant een verwijt kan worden gemaakt van het feit dat hij niet binnen de daartoe gestelde termijn de gevraagde gegevens en bewijsstukken heeft verstrekt.


4.3. Appellant stelt dat hij, sinds hij in 1997 bij een zware mishandeling met een ijzeren staaf op zijn hoofd is geslagen, veel psychische en lichamelijke klachten heeft. Hij lijdt onder andere aan chronische vermoeidheid, depressies en geheugenstoornissen en aan bijwerkingen van de medicijnen die hij gebruikt. Volgens appellant zijn er periodes waarin hij redelijk goed functioneert en periodes waarin hij ‘de weg kwijt is’ en niet weet wat hij heeft gedaan of nog moet doen. Dit laatste was het geval in de periode waarin hij gegevens had moeten verstrekken aan het dagelijks bestuur. Hij kon de gevraagde gegevens niet op tijd en in één keer te verstrekken. Door zijn geheugenstoornis was het niet mogelijk alle stukken bij elkaar te krijgen. Hij was vergeten waar hij de stukken had gelegd. Hij kan geen goede hulp te krijgen. Er is niemand die hem echt goed helpt.


4.4. Het dagelijks bestuur is bekend met de aanwezigheid van medische beperkingen bij appellant en stelt zich op het standpunt dat appellant hulp moet inschakelen als hij een brief van Kompas krijgt. Ook kan hij telefonisch contact opnemen met Kompas, zoals hij wel vaker heeft gedaan. Als appellant tijdig had gebeld en had gevraagd om een langere termijn was dat geen probleem geweest. Appellant heeft verwijtbaar niet tijdig gereageerd op de brieven van Kompas, aldus het dagelijks bestuur.


4.5. Het is de verantwoordelijkheid van de bijstandgerechtigde om te zorgen dat hij de voor hem uit de WWB voortvloeiende verplichtingen nakomt. Appellant weet al jarenlang dat zijn gezondheidsproblemen van invloed zijn op zijn functioneren en dat hij soms niet in staat is om adequaat te reageren op brieven van Kompas. Daarom had appellant maatregelen moeten nemen om te voorkomen dat deze terugkerende periodes van slecht functioneren tot problemen met zijn uitkering zouden leiden, bijvoorbeeld door de hulp van een ander in te roepen om hem in moeilijke perioden bij te staan. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ook in zijn betere perioden niet in staat is geweest die hulp te zoeken of dat hij al het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om deze hulp te vinden. Gelet op het vorenstaande kan niet worden geoordeeld dat het appellant niet kan worden verweten dat hij verzuimd heeft tijdig de gevraagde gegevens en bewijsstukken te verstrekken. Daarom was het dagelijks bestuur bevoegd om de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB in te trekken.


4.6. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB, 28 oktober 2008, LJN BG3682) is, anders dan appellant betoogt, de intrekking van bijstand geen punitieve of bestraffende sanctie, maar een op herstel gerichte maatregel. Dat een besluit tot intrekking van bijstand door de betrokkene subjectief (mede) als leedtoevoeging kan worden ervaren doet daaraan niet af. Daarom faalt het betoog van appellant dat het punitieve element van de beëindiging niet in verhouding staat tot de aard van de overtreding. De stelling dat het dagelijks bestuur had moeten volstaan met een minder verstrekkende sanctie, zoals het verlagen van de bijstand, vindt evenmin steun in de van toepassing zijnde wetgeving. Dat appellant als gevolg van de intrekking van de bijstand in een slechte financiële positie is geraakt, dient, nu het verzuim hem kan worden verweten, voor zijn rekening en risico te komen. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.


4.7. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter, in tegenwoordigheid van

R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2012.


(get.) O.L.H.W.I. Korte.


(get.) R. Scheffer.



HD