Centrale Raad van Beroep, 22-05-2012 / 10-6329 ANW + 10-6330 AOW


ECLI:NL:CRVB:2012:BW6531

Inhoudsindicatie
Intrekking, herziening en terugvordering ANW- en AOW-uitkering. Gezamenlijke huishouding. Dat appelante haar relatie met appellant zelf zag als een zogenoemde LAT-relatie maakt dat niet anders. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van de Svb dat appellanten hun hoofdverblijf hebben gehad in de woning van appellante, zodat aan het eerste criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding is voldaan. Ook aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat tijdens het verhoor van appellant sprake is geweest van ontoelaatbare druk. Dat appellant bij het verhoor niet werd bijgestaan door een raadsman, leidt niet tot schending van art. 6, lid 3, EVRM. De bestuursrechter is verder in het algemeen niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-05-22
Publicatiedatum
2012-05-24
Zaaknummer
10-6329 ANW + 10-6330 AOW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/6329 ANW

10/6330 AOW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 13 oktober 2010, 10/638 en 10/639 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) beiden wonende te [woonplaats]


de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)


Datum uitspraak: 22 mei 2012



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. G. van Buuren, advocaat, hoger beroep ingesteld. Namens appellante heeft mr. J. Kerouache, advocaat, hoger beroep ingesteld.


De Svb heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2012. Appellante is verschenen, vergezeld door haar dochter, en bijgestaan door mr. Kerouache. Appellant en mr. Van Buuren zijn niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante ontving sinds 1 januari 1998 een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw). Appellant ontving vanaf 1 mei 2008 een pensioen ingevolge de Algemene ouderdomswet (AOW) voor een alleenstaande.


1.2. Naar aanleiding van een bij de Svb binnengekomen tip dat appellanten al acht jaar samenwonen, heeft de Svb een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de verleende Anw-uitkering en het verleende AOW-pensioen. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn gegevensbestanden geraadpleegd, zijn enkele waarnemingen nabij de woning van appellante verricht, is een buurtonderzoek verricht en zijn appellanten verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een handhavingsrapportage van 27 oktober 2009 en een proces-verbaal van 23 november 2009.


1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor de Svb aanleiding geweest om:

-bij besluiten van 10 november 2009 het AOW-pensioen van appellant met ingang van 1 november 2009 te herzien naar een pensioen voor een samenwonende en het over de periode van 1 mei 2008 tot en met 31 oktober 2009 te veel verleende AOW-pensioen van appellant terug te vorderen tot een bedrag van € 2.460,10;

-bij besluiten van 13 november 2009 de Anw-uitkering van appellante te beëindigen met ingang van 1 juli 2003 en de over de periode van juli 2003 tot en met 31 oktober 2009 te veel verleende Anw-uitkering van appelante terug te vorderen tot een bedrag van € 38.735,69.


1.4. Bij besluit van 16 april 2010 (bestreden besluit 1) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 10 november 2009 ongegrond verklaard. Bij afzonderlijk besluit van 16 april 2009 (bestreden besluit 2) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 13 november 2009 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten vanaf 1 juli 2003 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, waarover zij de Svb niet hebben ingelicht.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 en het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het in dit geding van belang zijnde wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.


4.1. Appellanten stonden gedurende de hier van belang zijnde periode in de Gemeentelijke Basisadministratie ingeschreven op verschillende woonadressen. Appellant stond in de periode van 1 juli 2003 tot 1 november 2008 ingeschreven in de gemeente [naam gemeente 1], op het adres van zijn zus en zijn zwager. Vanaf 1 november 2008 stond hij ingeschreven in de gemeente [naam gemeente 2]. Appellante heeft steeds, op een ander adres dan dat van appellant, ingeschreven gestaan in de gemeente [naam gemeente 2]. Zij hebben daarop ook gewezen en stellen zich op het standpunt dat zij geen hoofdverblijf hebben gehad in dezelfde woning.


4.2. Naar vaste rechtspraak behoeft het aanhouden van verschillende woonadressen niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken. Die situatie doet zich hier voor.


4.3. De rechtbank heeft op dit punt in de eerste plaats terecht zwaarwegende betekenis gehecht aan de door appellant tijdens zijn verhoor afgelegde verklaring. Appellant heeft verklaard, samengevat, dat hij vanaf mei/juni 2003 permanent op het adres van appellante woont en dat hij daar zijn sociaal-economisch leven heeft. Anders dan appelanten stellen, is er geen reden om appellant niet aan die verklaring te houden. Appellant heeft zijn verklaring afgelegd tegenover twee opsporingsambtenaren, die de verklaring hebben neergelegd in een op ambtsbelofte/ambtseed opgemaakt proces-verbaal dat na voorlezing door appellant per bladzijde is ondertekend. Dat appellant daarbij gelet op het in het proces-verbaal gebezigde taalgebruik woorden in de mond zijn gelegd, is niet aannemelijk gemaakt. Zo heeft appellant, in gewoon Nederlands, verklaard dat hij alleen bij problemen met appellante even naar het huis van zijn zus en zwager ging om daar te slapen en dat, toen die van het gedoe moe werden, een appartement in [naam gemeente 2] heeft gevonden en dat hij ook dat adres in het geval van problemen met appellante gebruikte om zich terug te trekken. Evenmin ziet de Raad aanknopingspunten voor het oordeel dat tijdens het verhoor van appellant sprake is geweest van ontoelaatbare druk.


4.4. Appellanten hebben aangevoerd dat appellant bij het verhoor niet werd bijgestaan door een raadsman. Zij hebben in dit verband een beroep gedaan op - kort gezegd - het Salduz-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, LJN BH0402. De Raad heeft inmiddels meermalen uitgesproken - zie bijvoorbeeld CRvB 26 april 2010, LJN BQ3304 - dat het in een procedure als hier aan de orde niet gaat om een strafrechtelijke procedure, zodat de beschermende werking van artikel 6, derde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zich niet tot appellant uitstrekt.


4.5. De verklaring van appellant wordt bovendien ondersteund door andere onderzoeksbevindingen. De zwager en de zus van appellant hebben verklaard dat appellant al vanaf 2003 niet meer bij hen woont. Voorts is het waterverbruik in de woning van appellante in ieder geval over de periode van april 2004 tot april 2005 en de verbruiksperiodes daarna, aanzienlijk hoger dan het gemiddeld verbruik door een eenpersoonshuishouden, waarvoor appellante geen deugdelijke verklaring heeft gegeven. Ten slotte neemt de Raad in dit verband mede in aanmerking dat appellante heeft verklaard dat appellant elke avond bij haar is en dat hij twee à drie nachten in de week bij haar blijft slapen.


4.6. Appellant heeft nog aangevoerd dat de rechtbank geen acht heeft geslagen op de in beroep door hem overgelegde verklaringen. Aan deze verklaringen kan evenwel geen zwaarwegende betekenis worden gehecht. Zij bevatten daarvoor te weinig concrete informatie over het hoofdverblijf van appellant en zien bovendien maar op een zeer beperkt gedeelte van de in geding zijnde periode. Bovendien is de verklaring van [B.], die bevestigt dat hij constant heeft waargenomen dat appellant in zijn eigen woning in [naam gemeente 2] aanwezig was, strijdig met wat appellanten zelf hebben verklaard.


4.7. De hiervoor besproken onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van de Svb dat appellanten hun hoofdverblijf hebben gehad in de woning van appellante, zodat aan het eerste criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding is voldaan. Gelet daarop kan buiten bespreking blijven welke waarde moet worden toegekend aan het resultaat van het gehouden buurtonderzoek.


4.8. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Ook aan dit criterium is voldaan. De onderzoeksbevindingen bieden ook daarvoor een toereikende grondslag. Kortheidshalve wordt verwezen naar de in het verweerschrift van de Svb opgesomde elementen van wederzijdse zorg.


4.9. De rechtbank heeft de Svb dan ook terecht gevolgd in zijn standpunt dat appellanten in de periode van 1 juli 2003 tot en met 31 oktober 2008 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Dat appelante haar relatie met appellant zelf zag als een zogenoemde LAT-relatie maakt dat niet anders. De Raad benadrukt in dit verband dat bij de beoordeling of sprake is van een gezamenlijke huishouding de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid dan wel de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang zijn.


4.10 Appellant heeft erop gewezen dat hij in de tegen hem gevoerde strafzaak door de rechtbank Roermond is vrijgesproken. Dat leidt niet tot een ander oordeel. De bestuursrechter is immers in het algemeen niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter. In een strafrechtelijke procedure ligt een andere rechtsvraag ter beantwoording voor en is ook een ander procesrecht van toepassing.


4.11. Appellanten hebben nog naar voren gebracht dat, als de Anw-uitkering van appellante vervalt en zij voor de AOW als partner van appellant moet worden aangemerkt, appellant dan recht heeft op partnertoeslag. In onderdeel 24 van het verweerschrift heeft de Svb toegelicht waarom, gelet op het inkomen van appellante uit WAO, geen recht op die toeslag bestaat. Daarbij sluit de Raad zich aan.


4.12. Appellanten hebben tegen de terugvordering geen zelfstandige beroepsgronden naar voren gebracht, zodat de terugvordering verder buiten bespreking kan blijven.


4.13. De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en H.C.P. Venema en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2012.


(get.) C. van Viegen.


(get.) N.M. van Gorkum.


Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.


KR