Centrale Raad van Beroep, 11-05-2012 / 11-1886 AOW


ECLI:NL:CRVB:2012:BW7571

Inhoudsindicatie
Toekenning AOW-uitkering met terugwerkende kracht. Met bestreden besluit 2 heeft de Svb bestreden besluit 1 ingetrokken en aan appellant alsnog met ingang van november 2003 een AOW-uitkering en een bijbehorende toeslag toegekend. Hoger beroep niet-ontvankelijk. Nieuw beleid. In het geval van appellant is de terugwerkende kracht teruggerekend vanaf de maand waarin deze nieuwe uitvoeringsregels zijn gemaakt. Er zijn geen aanknopingspunten om te oordelen dat de Svb heeft gehandeld in strijd met zijn beleid. De uitvoering van het beleid is in de onderhavige zaak niet in strijd is met enige regel van geschreven of ongeschreven recht. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-05-11
Publicatiedatum
2012-06-06
Zaaknummer
11-1886 AOW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/1886 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 maart 2011, 10/4684 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[appellant] te Turkije (appellant)


de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)


Datum uitspraak 11 mei 2012.


PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


De Svb heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2012. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.


Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.


De Svb heeft een nieuwe beslissing op bezwaar van 27 januari 2012 genomen, waarop appellant heeft gereageerd.


De Svb heeft nog een nader stuk ingezonden.


Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.


OVERWEGINGEN


1.1. Appellant, geboren in april 1938, heeft in maart 2003 bij de Svb een aanvraag ingediend voor toekenning van een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Daarbij kwam naar voren dat hij in een periode in de jaren zestig van de vorige eeuw heeft gewerkt bij de Philips Draadfabrieken in Nijmegen.


1.2. Bij besluit van 7 maart 2005 heeft de Svb geweigerd aan appellant een ouderdomspensioen ingevolge de AOW toe te kennen, omdat niet is gebleken dat appellant verzekerd is geweest voor die wet.


1.3. Appellant heeft in april 2010 opnieuw een ouderdomspensioen aangevraagd en heeft daarbij herhaald dat hij de onder 1.1 genoemde werkzaamheden heeft verricht. Ter ondersteuning hiervan heeft appellant een kopie ingezonden van het bewijs van lidmaatschap van het centraal ziekenfonds Tilburg.


1.4. Bij besluit van 10 juni 2010 heeft de Svb de aanvraag afgewezen onder verwijzing naar het besluit van 7 maart 2005.


1.5. Bij beslissing op bezwaar van 31 augustus 2010 (besluit 1) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2010 gegrond verklaard, omdat gebleken is dat appellant van 16 februari 1965 tot 6 november 1967 ingeschreven heeft gestaan bij het schakelregister van de Rijksinspectie. De Svb heeft aan appellant met ingang van april 2005 een ouderdomspensioen en een bijbehorende toeslag toegekend, derhalve met een terugwerkende kracht van vijf jaar, gerekend van de datum van ontvangst van de AOW-aanvraag in april 2010.


2. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de Svb de toekenning van het AOW-pensioen en de toeslag met een langere terugwerkende kracht had moeten doen ingaan dan vijf jaar, namelijk vanaf het bereiken van de 65-jarige leeftijd in april 2003.


4. De Svb heeft bij de nadere beslissing op bezwaar van 27 januari 2012 (besluit 2) besluit 1 ingetrokken en heeft alsnog aan appellant met ingang van november 2003 een AOW-uitkering en een bijbehorende toeslag toegekend.


5.1. De Raad overweegt het volgende.


Besluit 1

5.2. Nu met besluit 2 niet aan appellants beroep is tegemoet gekomen, moet zijn beroep op grond van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede tegen besluit 2 gericht worden geacht. Met besluit 2 heeft de Svb besluit 1 ingetrokken. Dit betekent dat appellant, nu hij geen verzoek om schadevergoeding heeft gedaan, geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van besluit 1.


Besluit 2

5.3. Tussen partijen is in geschil of de Svb terecht heeft besloten het aan appellant toegekende ouderdomspensioen en de bijbehorende toeslag niet met een verdergaande terugwerkende kracht dan vanaf november 2003 toe te kennen.


5.4. Gelet op artikel 4:6 van de Awb en de jurisprudentie van de Raad op dit artikel, is een bestuursorgaan in beginsel bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder op aanvraag genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Bij besluit 2 is de Svb in zoverre ten voordele van appellant op het besluit van 7 maart 2005 teruggekomen, dat aan hem met ingang van

november 2003 een ouderdomspensioen en een bijbehorende toeslag is toegekend.


5.5. Bij besluit 2 heeft de Svb uiteengezet dat in november 2008 nieuwe uitvoeringsregels zijn gemaakt, welke kenbaar zijn gemaakt in de beleidsregels van 2009, gepubliceerd op 10 juni 2009. Deze regels gelden voor personen die in het verleden in Nederland hebben gewerkt, maar van dit werken geen bewijs meer hebben. In beginsel zou dit ertoe leiden dat in een dergelijk geval geen verzekering op grond van werken kan worden aangenomen. Sinds de wijziging in de uitvoeringsregels wordt het ontbreken van bewijs van werken echter niet langer tegengeworpen als vaststaat dat de betrokken persoon in Nederland verbleef en hij geloofwaardig verklaart arbeid te hebben verricht. In dergelijke gevallen neemt de Svb aan dat sprake is geweest van verzekering op grond van werken als aannemelijk is dat de betrokken persoon met zijn verblijf tot doel had arbeid in dienstbetrekking te verrichten.


5.6. Als gevolg van de nieuwe uitvoeringsregels heeft de Svb aan appellant het bewijsprobleem niet tegengeworpen en is met een terugwerkende kracht van vijf jaar, teruggerekend vanaf november 2008, een AOW-pensioen en toeslag toegekend. Daarbij is aangesloten bij het beleid dat geldt voor gevallen waarin een rechtens onaantastbaar besluit onjuist is als gevolg van een fout van de Svb.


5.7. Dienaangaande hanteert de Svb het beleid dat hij zich in redelijkheid gehouden acht terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit indien dit besluit onmiskenbaar onjuist moet worden geacht en de onjuistheid een gevolg is van een fout van de Svb. De uitkering wordt in dergelijke gevallen verhoogd met een volledig terugwerkende kracht tot een maximum van vijf jaar. In het geval van appellant is de terugwerkende kracht teruggerekend vanaf de maand waarin deze nieuwe uitvoeringsregels zijn gemaakt, zijnde november 2008.


5.8. Nu de Svb gevallen als het onderhavige beoordeelt aan de hand van de hiervoor weergegeven uitgangspunten dient - in het kader van de vraag of de Svb uiteindelijk terecht geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb - te worden getoetst of de Svb heeft gehandeld in strijd met deze uitgangspunten. In de gedingstukken zijn geen aanknopingspunten gevonden om deze vraag bevestigend te beantwoorden. Hieraan kan worden toegevoegd dat de toepassing van deze uitgangspunten in de onderhavige zaak niet in strijd is met enige regel van geschreven of ongeschreven recht. In hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd, ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.


5.9. Uit 5.2 vloeit voort dat het hoger beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Uit 5.3 tot en met 5.8 vloeit voort dat het beroep tegen besluit 2 ongegrond dient te worden verklaard.


6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


-verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

-verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond;

-bepaalt dat de Svb het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 153,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2012.


(get.) C.W.J. Schoor


(get.) Z. Karekezi


TM