Centrale Raad van Beroep, 22-05-2012 / 10-1476 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BW7772

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand en terugvordering. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in de beoordelingsperiode niet zijn woonplaats in de gemeente Maastricht. Er is onvoldoende grondslag voor het oordeel dat appellant niet in staat is geweest om naar waarheid over zijn dagelijkse woonsituatie te verklaren en daarover vragen te beantwoorden. Er is geen aanleiding voor de conclusie dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest en de onderzoeksresultaten niet bruikbaar zouden zijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-05-22
Publicatiedatum
2012-06-07
Zaaknummer
10-1476 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/1476 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2010, 09/491 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)



Datum uitspraak: 22 mei 2012



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.J.H.S. Thomassen, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Thomassen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Merken.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant ontving vanaf 8 november 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2. Tijdens een zogenoemde themacontrole is gebleken dat appellant vijf maal op verschillende tijdstippen gedurende de dag niet aanwezig was op het door hem opgegeven adres, [adres] te Maastricht. Vervolgens is in januari 2008 een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn waarnemingen gedaan, hebben buurtbewoners verklaringen afgelegd, zijn huisbezoeken verricht (onder meer aan het door appellant opgegeven adres) en is appellant verhoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport fraudeonderzoek van 29 april 2008. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 4 juli 2008 de bijstand over de periode van 13 december 2006 tot en met 31 maart 2008 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 16.016,82 van appellant terug te vorderen. De intrekking en terugvordering berusten op de overweging dat appellant niet zijn hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven adres, maar dat hij woont bij zijn vriendin [J.] te [plaatsnaam] (België).


1.2. Bij besluit van 13 februari 2009 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen het besluit van 4 juli 2008 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd - samengevat - dat hij niet bij [J.] woonde, maar daar slechts enkele weken verbleef in verband met herstel van een ernstige ziekte. Met de melding van zijn ziekenhuisopname heeft hij aan zijn inlichtingenplicht voldaan. Voorts heeft appellant een rapport van een bij hem verricht neuropsychiatrisch onderzoek overgelegd, waarin de diagnose ADHD is gesteld. In verband met deze aandoening is appellant niet in staat goed te luisteren naar gestelde vragen. Om die reden kan zijn verklaring niet als bewijs dienen. Bovendien is zijn verklaring niet afgelegd tegenover een sociaal rechercheur en de rapportage niet op ambtseed opgemaakt. Het onderzoek is naar de mening van appellant niet zorgvuldig geweest, onder meer omdat er geen onderzoek naar de woonsituatie in België heeft plaatsgevonden en [J.] niet is gehoord. Appellant betwijfelt of de foto die aan een buurtbewoner werd getoond een foto van hem betrof. Het aanbod van appellant om de centrale toegangsdeur naar zijn woning te openen is door de rechercheurs afgeslagen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Naar vaste rechtspraak dient de vraag waar iemand zijn woonadres heeft, beantwoord te worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.


4.2. De onder 1.2 genoemde onderzoeksbevindingen bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in de beoordelingsperiode niet zijn woonplaats in de zin van artikel 40, eerste lid, van de WWB had in de gemeente Maastricht. Daarbij moet zwaarwegende betekenis worden toegekend aan de door appellant op 16 april 2008 afgelegde verklaring. Dat deze verklaring niet is neergelegd in een door een sociaal rechercheur op ambtseed opgemaakt proces-verbaal doet hier, anders dan appellant heeft betoogd, niet aan af. Van belang is dat appellant zijn verklaring heeft ondertekend, zonder daarbij een voorbehoud te maken. Niet is gebleken dat de inhoud niet overeenkomt met wat hij heeft verklaard.


4.3. Appellant heeft gesteld dat hij niet aan deze verklaring kan worden gehouden. Het neuropsychiatrisch rapport biedt voor deze stelling geen grondslag. Blijkens dit rapport is bij appellant sprake van een helder bewustzijn, heeft hij geen geheugenstoornissen, is zijn aandacht goed te trekken en vast te houden. Zijn denken is coherent en verloopt in normaal tempo. Dat bij appellant de diagnose ADHD is gesteld, impliceert niet dat hij niet in staat zou zijn tijdens een verhoor vragen over zijn (dagelijkse) woonsituatie te beantwoorden. De door appellant in zijn beroepschrift aangehaalde passages uit het rapport leiden niet tot een ander oordeel. Daarmee wordt immers geen antwoord gegeven op de vraag of appellant, gelet op de gestelde diagnose, wel of niet mag worden gehouden aan wat hij zegt. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat er onvoldoende grondslag is voor het oordeel dat appellant niet in staat is geweest om naar waarheid over zijn dagelijkse woonsituatie te verklaren en daarover vragen te beantwoorden.


4.4. De in de verklaring van appellant weergegeven feiten en omstandigheden vinden (voor een deel van de in geding zijnde periode) steun in verklaringen [C.] en [F.]. [C.] heeft namelijk op 16 april 2008 verklaard plus minus 5 maanden op het door appellant opgegeven adres [adres] woonachtig te zijn. De man op de foto die aan hem is getoond, herkent hij als appellant. Volgens [C.] is appellant niet woonachtig op het adres [adres]. [F.] is de benedenbuurvrouw van [adres]. Zij heeft verklaard dat het adres pal boven haar flat wordt bewoond door een jonge jongen en zijn vriendin en dat de woning heel lang leeg heeft gestaan voordat deze jongen er is komen wonen.


4.5. De Raad ziet in het rapport fraudeonderzoek van 29 april 2008 geen aanleiding voor de conclusie dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest en de daarin opgenomen onderzoeksresultaten niet bruikbaar zouden zijn. Een onderzoek naar de woonsituatie in België, het horen van [J.] en een onderzoek in de woning aan de [adres] waren gelet op de reeds voorhanden zijnde gegevens niet nodig. Geen aanleiding wordt gezien om te twijfelen aan de verklaring van het college dat de aan de getuigen getoonde foto een kopie van het identiteitsbewijs van appellant betrof.


4.6. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat appellant ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB jegens het college geen recht had op bijstand.


5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en H.C.P. Venema en C.H. Bangma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2012.


(get.) C. van Viegen.


(get.) N.M. van Gorkum.


HD