Centrale Raad van Beroep, 25-05-2012 / 10-3702 WAO


ECLI:NL:CRVB:2012:BW7802

Inhoudsindicatie
Hierziening WAO-uitkering naar de klasse 25 tot 35%. Er is sprake van een voldoende medische grondslag. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische gegevens ingebracht die zijn standpunt zouden kunnen ondersteunen. Uitgaande van de juistheid van de FML zijn er geen redenen om te twijfelen aan de conclusie van de (bezwaar)arbeidsdeskundige dat de geduide functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-05-25
Publicatiedatum
2012-06-07
Zaaknummer
10-3702 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/3702 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 mei 2010, 09/2435 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2012.

Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.


OVERWEGINGEN


1. Appellant was werkzaam als beveiligingsbeambte en meldde zich in juni 1997 ziek met psychische klachten. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is aan appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 24 juni 1998 een volledige uitkering toegekend. Deze uitkering bleef nadien bij herbeoordelingen in 2001 en 2003 ongewijzigd.


2.1. Appellant is in het kader van een herbeoordeling op grond van het met ingang van 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit op 24 oktober 2008 onderzocht door de verzekeringsarts A.A.W. Haver. Deze vermeldde in een rapport van eveneens 24 oktober 2008 - bij gebreke van een medisch dossier - op basis van de anamnese dat appellant zich in verband met angstklachten na een overval ziek had gemeld en dat hij overwoog in verband met tweede generatieproblematiek daarvoor in behandeling te gaan. Appellant ervaart in het licht van de angstklachten met name een drempel om de straat op te gaan, maar feitelijk heeft hij geen last gehad van hyperventilatie als hij daadwerkelijk de straat opgaat en dan zakken zijn klachten weg. Volgens de verzekeringsarts is bij appellant sprake van anticipatie-angst en ontstaan bij expositie geen angst-equivalenten. Voorts waren er volgens de verzekeringsarts wisselende depressieve klachten.


2.2. Uit opgevraagde en verkregen informatie van behandelaars voor zijn psychische klachten komt naar voren dat appellant vanaf 26 november 1997 tot 9 februari 2000 en een periode na 19 april 2001 is behandeld voor recidiverende onrustgevoelens en dat in 2001 de diagnose angststoornis NAO is gesteld, welke ook door de huisarts in een brief van 30 oktober 2008 is vermeld. Volgens de verzekeringsarts in een nader rapport van 5 december 2008 was er geen sprake van een manische depressie of een PTSS. Deze arts concludeerde tot welke beperkingen de angstklachten aanleiding gaven en legde die beperkingen vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).


2.3. Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding een loonverlies van 25,38% vastgesteld, waarna het Uwv bij besluit van 17 december 2008 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 18 februari 2009 herzag naar de klasse 25 tot 35%.


3. In de bezwaarprocedure concludeerde de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst, mede op basis van de beschikbare gegevens en de door appellant op de hoorzitting verstrekte informatie, in een rapport van 14 april 2009 dat, zo in het geval van appellant al sprake zou zijn van een angststoornis, deze niet als ernstig moet worden beschouwd en dat er geen harde aanwijzingen zijn voor het bestaan van de door de verzekeringsarts wel overwogen maar niet aanwezig geachte manische depressie of PTSS. Wat betreft de oorlogsproblematiek van zijn overleden vader stelde ook Hulst vast dat appellant nog geen concrete plannen had om zich onder behandeling van een psycholoog te stellen. Volgens Hulst werden de functionele mogelijkheden van appellant in de FML niet overschat, zij het dat in verband met medicatie een aanpassing op het onderdeel vervoer aangewezen was. Bij het arbeidskundig onderzoek in de bezwaarprocedure werd vervolgens het loonverlies op 27,6% gesteld. Hierna verklaarde het Uwv het door appellant tegen het besluit van 17 december 2008 gemaakte bezwaar bij besluit van 21 april 2009 ongegrond.


4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 21 april 2009 (bestreden besluit) ongegrond.


4.2. De rechtbank oordeelde dat uit de beschikbare verzekeringsgeneeskundige gegevens naar voren komt dat de verzekeringsartsen rekening hebben gehouden met de angsten van appellant door het opnemen van een aantal nader genoemde beperkingen in de FML. Aan de juistheid van de FML twijfelde de rechtbank niet en voor het - niet met nadere medische stukken onderbouwde - standpunt van appellant, dat hij in het geheel niet tot werken in staat was, zag de rechtbank geen steun in het medisch dossier. Gelet op één en ander oordeelde de rechtbank dat appellant terecht in staat is geacht tot het verrichten van de geduide functies.


5. In hoger beroep heeft appellant zijn in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Het komt er in wezen op neer dat appellant zich nog volledig arbeidsongeschikt acht.


6.1. De Raad ziet in het hoger beroep van appellant geen aanknopingspunten voor een ander oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit dan het in 4.2 samengevat weergegeven oordeel van de rechtbank. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische gegevens, afkomstig van bijvoorbeeld de behandelende sector, ingebracht die zijn standpunt zouden kunnen ondersteunen. Voorts valt uit de rapporten van de verzekeringsartsen niet af te leiden dat de ernst van de angstklachten van appellant, voor zover die mede in verband staan met de oorlogsproblematiek en het overlijden van zijn vader, anders gewaardeerd zouden dienen te worden dan in die rapporten naar voren komt.


6.2. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de Raad, evenmin als de rechtbank, redenen gezien om te twijfelen aan de conclusie van de (bezwaar)arbeidsdeskundige dat de geduide functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.


6.3. De overwegingen 6.1 en 6.2 brengen de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2012.


(get.) J.W. Schuttel.


(get.) G.J. van Gendt.



JL