Centrale Raad van Beroep, 30-05-2012 / 12-2037 WIA-VV


ECLI:NL:CRVB:2012:BW8251

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening. In hetgeen door verzoekster is aangevoerd in het kader van de terugvordering van de voorschotten ligt geen spoedeisend belang besloten, nu de grondslag van de terugvordering ligt in een in rechte onaantastbaar geworden besluit, waarin het Uwv heeft vastgesteld dat verzoekster per 19 september 2006 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-05-30
Publicatiedatum
2012-06-13
Zaaknummer
12-2037 WIA-VV
Procedure
Voorlopige voorziening



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/2037 WIA-VV


Centrale Raad van Beroep


Voorzieningenrechter


Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening


Partijen:


[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


Datum uitspraak: 30 mei 2012



PROCESVERLOOP


Verzoekster heeft bij brief van 9 april 2012 onder overlegging van stukken een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2012. Verzoekster is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.



OVERWEGINGEN


1. De voorzieningenrechter verwijst voor de relevante feiten naar hetgeen daarover is vermeld in de uitspraak van de Raad van 13 januari 2010, 08/4547 WIA, LJN BL0372. Voor de standpunten van partijen in de onderhavige procedure verwijst hij naar het verzoekschrift, het aanvullend verzoekschrift en naar het verweerschrift.


2. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met de artikelen 8:88, tweede lid, en 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien een verzoek is gedaan om herziening van een uitspraak van de Raad, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover in deze procedure een oordeel wordt gegeven met betrekking tot het geschil in de hoofdzaak, heeft dat oordeel een voorlopig karakter en is het niet bindend in de hoofdzaak.


3. Ter zitting heeft verzoekster nader uiteengezet dat de spoedeisendheid is gelegen in het feit dat zij over de periode van 19 september 2006 tot en met 16 februari 2007 geen inkomsten heeft genoten, omdat het Uwv de voorschotten die in die periode aan haar in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) zijn overgemaakt, zijn teruggevorderd. Voorts heeft het Uwv in het kader van de invordering op onjuiste wijze de beslagvrije voet berekend, waardoor zij thans onvoldoende inkomsten heeft. Door de invordering is volgens verzoekster de onaanvaardbare situatie ontstaan, dat haar enige inkomsten in de vorm van het voorschot op de WIA-uitkering in de periode van 19 september 2006 tot februari 2007 haar worden ontnomen en ingevorderd.


4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.


4.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek om een voorlopige voorziening meeloopt met het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 januari 2010, 08/4547 WIA. Met die uitspraak heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juli 2008, 07/4409 vernietigd en het beroep tegen het besluit van het Uwv van 3 oktober 2007 ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft het Uwv de bezwaren van verzoekster tegen het besluit van 16 februari 2007, ongegrond verklaard, waarbij het Uwv heeft beslist dat het de aan verzoekster verstrekte voorschotten over de periode van 19 september 2006 tot en met 28 februari 2007 ten bedrage van € 6.540,83 terugvordert.


4.2. Uit overweging 4.1 volgt dat het verzoek om een voorlopige voorziening enkel betrekking kan hebben op de terugvordering van de voorschotten over de periode van 19 september 2006 tot en met 28 februari 2007. Dit betekent dat enig besluit over de wijze waarop het Uwv deze voorschotten invordert, waaronder mede wordt begrepen de vaststelling van de beslagvrije voet, niet bij de beoordeling van dit verzoek kan worden betrokken. Het in artikel 8:81 van de Awb besloten liggende vereiste van connexiteit tussen het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 januari 2010, 08/4547 en het verzoek om een voorlopige voorziening staat hieraan in de weg.


4.3. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat in hetgeen door verzoekster is aangevoerd in het kader van de terugvordering van de voorschotten geen spoedeisend belang besloten ligt, nu de grondslag van de terugvordering ligt in het in rechte onaantastbaar geworden besluit van 16 februari 2007, waarin het Uwv heeft vastgesteld dat verzoekster per 19 september 2006 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Daarmee is niet voldaan aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.


5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.



BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2012.


(get.) T. Hoogenboom.


(get.) K.E. Haan.


IvR