Centrale Raad van Beroep, 03-07-2012 / 10/1110 WWB + 10/1111 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BX0499

Inhoudsindicatie
Maatregel. Verlaging bijstand met 100% gedurende een maand. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat appellante met haar werk bij het restaurant niet voldoende inkomsten heeft dan wel kan verwerven om zelfstandig te voorzien in de kosten van levensonderhoud en niet langer te zijn aangewezen op bijstand. Dit heeft tot gevolg dat er geen goede gronden aanwezig waren de aangeboden arbeidsovereenkomst met SAWN niet te aanvaarden. Appellante heeft haar stelling dat een opzegtermijn gold en daar door haar werkgever aan zou worden gehouden niet onderbouwd. De door appellanten aangevoerde beroepsgrond dat het werk niet passend is treft geen doel. De beroepsgrond dat het contract onduidelijk was en dat appellanten niet de gelegenheid hebben gekregen om in alle rust en op verantwoorde wijze het contract te bestuderen, slaagt evenmin. Door de arbeidsovereenkomst niet te ondertekenen heeft appellante niet voldaan aan de op haar rustende verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat het college gehouden was de bijstand van appellante te verlagen. Er is geen aanleiding om de verlaging van de bijstand vast te stellen op minder dan honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-07-03
Publicatiedatum
2012-07-05
Zaaknummer
10/1110 WWB + 10/1111 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/1110 WWB, 10/1111 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

13 januari 2010, 09/2484 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]


het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)


Datum uitspraak: 3 juli 2012



PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Namens appellanten zijn nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Shaaban, advocaat, als opvolgend gemachtigde. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellanten ontvangen sinds 12 januari 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Op appellante zijn de arbeidsverplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de WWB van toepassing. Appellant is om medische redenen van die verplichtingen vrijgesteld. Het college heeft appellante aangemeld bij de Stichting arbeidsmarkt en werkgelegenheidsprojecten Nederland (SAWN). SAWN exploiteert bedrijven onder de naam Workstar. Op 25 november 2008 is aan appellante een aanbod gedaan voor werkzaamheden bij Workstar voor 40 uur per week, met ingang van 1 december 2008 gedurende een jaar. Omdat appellanten een advocaat wilden raadplegen, is een nieuwe afspraak gemaakt voor 28 november 2008 om de arbeidsovereenkomst te ondertekenen. Op 28 november 2008 heeft appellant telefonisch laten weten dat appellante de aangeboden arbeid niet accepteert.


1.2. Het college heeft bij besluit van 28 november 2008, voor zover van belang, de bijstand van appellanten met ingang van 1 december 2008 met honderd procent verlaagd gedurende een maand. Het college heeft aan deze maatregel ten grondslag gelegd dat appellante de voor haar geldende arbeidsverplichting niet is nagekomen, omdat zij geweigerd heeft om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Bij besluit van 6 maart 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 november 2008 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij hebben zij onder meer aangevoerd dat appellante een dienstverband voor onbepaalde tijd had bij een Chinees restaurant in [plaatsnaam] en dat niet van haar gevergd kon worden om haar vaste contract bij het restaurant om te ruilen voor een onzeker contract met Workstar, dat maar voor een jaar zou gelden. Zij kon ook niet zomaar het dienstverband met haar werkgever verbreken. Zij zou dan schadeplichtig kunnen zijn. Appellante heeft geen gelegenheid gehad de arbeidsovereenkomst in alle rust en op verantwoorde wijze te (laten) bestuderen. Voorts is aangevoerd dat appellante, die afkomstig is uit China, de Nederlandse taal niet beheerst en dat het werk bij het restaurant veel beter aansluit op haar culturele en sociale achtergrond. Het werk bij Workstar zou voor haar niet passend zijn. Gewezen is op het afstompende karakter van het werk en de slechte ervaringen van appellante met een eerder re-integratietraject, waar zij zonder enige begeleiding achter een computer werd gezet. Volgens appellante zou dit ook bij Workstar weer het geval zijn, zodat zij wegens afwezigheid van iedere vaardigheid in de Nederlandse taal niets zou kunnen doen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB - voor zover hier van belang- is de belanghebbende verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden.


4.2. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De hier bedoelde verordening is in dit geval de Verordening afstemming en handhaving bijstand van de gemeente Zoetermeer (verordening).


4.3. Het college heeft de aan appellante verweten gedraging aangemerkt als een gedraging van de vierde categorie als bedoeld in artikel 10 van de verordening. Ingevolge artikel 11 van de verordening leidt dit tot een verlaging van de bijstand van honderd procent gedurende een maand.


4.4. Vaststaat dat geen sprake is van een schriftelijke arbeidsovereenkomst met de werkgever van appellante. Appellant heeft ter zitting van de Raad verklaard dat per dag of per week afspraken werden gemaakt over het aantal te werken uren. In oktober 2008 heeft appellante 6 dagen gewerkt, in november 2008 12 dagen en in december 2008, volgens appellant de drukste maand van het jaar, 19 dagen. Er bestond destijds geen zicht op vermeerdering van het aantal arbeidsuren. Gelet hierop heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat appellante met haar werk bij het restaurant niet voldoende inkomsten heeft dan wel kan verwerven om zelfstandig te voorzien in de kosten van levensonderhoud en niet langer te zijn aangewezen op bijstand. Dit heeft tot gevolg dat er geen goede gronden aanwezig waren de aangeboden arbeidsovereenkomst met SAWN niet te aanvaarden. Appellante heeft haar stelling dat een opzegtermijn gold en daar door haar werkgever aan zou worden gehouden niet onderbouwd.


4.5. Desgevraagd is in hoger beroep de tekst van de arbeidsovereenkomst met SAWN ingezonden. Uit deze arbeidsovereenkomst blijkt dat appellante met ingang van 1 december 2008 in dienst zou treden in de functie van algemeen medewerker. In de bij de arbeidsovereenkomst gevoegde toelichting wordt vermeld wat de werkzaamheden zijn en hoe de begeleiding plaatsvindt. Naast het werk wordt een programma aangeboden dat erop is gericht appellante zo snel mogelijk te bemiddelen naar een reguliere baan. Voor de begeleiding wordt, naast de klantmanager van de gemeente, een persoonlijk consulent toegewezen. Er wordt een plan van aanpak op maat opgesteld en er vinden maandelijkse voortgangsgesprekken plaats. De werkzaamheden bestaan uit het inpakken, ompakken, labelen en sealen van producten en worden verricht onder begeleiding van een productiechef. Daarnaast worden trainingen verzorgd op het gebied van succesmethodiek, solliciteren en presentatie. Voorts blijkt uit de toelichting dat twee dagdelen per week worden gereserveerd om te solliciteren.


4.6. De door appellanten aangevoerde beroepsgrond dat het werk niet passend is treft geen doel. In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB gaat het om algemeen geaccepteerde arbeid en niet om arbeid die de belanghebbende voor zichzelf passend acht. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II, 2002/03, 28870, nr. 3, blz. 5 en 6) wordt, door geen beperkende voorwaarden te stellen aan aard en omvang van het werk en aan de aansluiting op opleiding en ervaring, beoogd te bereiken dat een eventueel beroep op inkomensondersteuning zo kort mogelijk duurt. Er dient daarbij wel gekeken te worden naar de aansluiting bij de individuele mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en belastbaarheid. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat de werkzaamheden de belastbaarheid van appellante te boven gaan.


4.7. De beroepsgrond dat het contract onduidelijk was en dat appellanten niet de gelegenheid hebben gekregen om in alle rust en op verantwoorde wijze het contract te bestuderen, kan evenmin slagen. Zoals hiervoor al is vermeld onder 1.1 hebben appellanten na het gesprek op 25 november 2008 nog tot 28 november 2008 de tijd gehad om het contract te lezen en dit zo nodig aan een derde voor te leggen. Zij hebben geen nadere vragen over het contract gesteld en ook niet verzocht om uitstel tot een latere datum, om meer tijd te hebben voor het (laten) bestuderen van het contract. Ter zitting heeft appellant nog aangevoerd dat het college haar ten onrechte niet heeft gewezen op de bepaling in het contract dat zij het aangeboden werk bij Workstar aanvullend naast haar werk bij het Chinese restaurant zou kunnen verrichten. Dat betoog kan om dezelfde redenen als hiervoor aangegeven niet slagen.


4.8. Door de arbeidsovereenkomst met SAWN niet te ondertekenen heeft appellante niet voldaan aan de op haar rustende verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat het college op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellante overeenkomstig de artikelen 10 en 11 van de verordening te verlagen. Er is geen aanleiding om de verlaging van de bijstand vast te stellen op minder dan honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.


4.9. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en H.C.P. Venema en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2012.


(getekend) J.J.A. Kooijman


(getekend) R. Scheffer


HD