Centrale Raad van Beroep, 17-07-2012 / 10-4987 BBZ


ECLI:NL:CRVB:2012:BX1674

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag zelfstandigenbijstand ter voorziening in de kosten van levensonderhoud. Een bijstandverlenend orgaan is in de regel gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming over vragen met betrekking tot de levensvatbaarheid van ondernemingen te baseren op verkregen adviezen van deskundige instanties. Het IMK kan als een zodanige instantie worden aangemerkt. Het college heeft zich bij zijn besluitvorming op het advies van het IMK kunnen baseren.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-07-17
Publicatiedatum
2012-07-18
Zaaknummer
10-4987 BBZ
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/4987 BBZ


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 augustus 2010, 09/3881 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)


Datum uitspraak: 17 juli 2012



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2012. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. el Fizazi.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant was van plan een detailhandel in dames- en kinderkleding te starten. In verband hiermee heeft hij op 3 februari 2009 op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) bijstand aangevraagd ter voorziening in de kosten van levensonderhoud.


1.2. Naar aanleiding van die aanvraag heeft het college advies gevraagd aan het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK). Het IMK heeft onder meer onderzoek gedaan naar de exploitatievooruitzichten, de financieringsmogelijkheden en de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant. Daartoe heeft het IMK ook met appellant gesproken. Het IMK heeft in het op 17 maart 2009 uitgebrachte advies geconcludeerd dat het bedrijf dat appellant wil starten niet levensvatbaar is. Daarbij heeft het IMK te kennen gegeven dat appellant het commercieel plan onvoldoende heeft uitgewerkt, hij onvoldoende voorbereidingen heeft getroffen met betrekking tot de investeringen en de exploitatie, hij geen calculatie-inzicht heeft, hij zijn plan niet heeft onderbouwd met offertes en hij geen concrete schriftelijke afspraken heeft gemaakt met externe partijen. Bij besluit van 24 juni 2009 heeft het college onder verwijzing naar dit advies de aanvraag afgewezen op de grond dat het bedrijf niet levensvatbaar is.


1.3. Bij besluit van 28 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 24 juni 2009 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellant is het advies van het IMK niet zorgvuldig en niet juist tot stand gekomen. Appellant stelt zich op het standpunt dat het te starten bedrijf levensvatbaar is en dat hij voldoende informatie heeft verschaft op grond waarvan het IMK tot een positief advies had kunnen komen. Appellant stelt dat het college de bevoegdheid moet hebben om het advies van het IMK naast zich neer te leggen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. In geschil is of het college het advies van het IMK aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.


4.2. Onder een levensvatbaar bedrijf wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 verstaan het bedrijf waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan.


4.3. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 17 april 2012, LJN BW3252) is een bijstandverlenend orgaan in de regel gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming over vragen met betrekking tot de levensvatbaarheid van ondernemingen te baseren op verkregen adviezen van deskundige instanties. Het IMK kan als een zodanige instantie worden aangemerkt. In hetgeen appellant heeft aangevoerd bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat het advies van het IMK op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd. Uit het advies blijkt dat de door appellant verstrekte informatie en het door hem overgelegde ondernemingsplan in de beschouwingen van het IMK zijn betrokken. Onder de gedingstukken bevinden zich voorts geen objectieve gegevens - zoals een deskundig tegenadvies - die de stelling van appellant dat wel sprake is van een levensvatbaar bedrijf kunnen onderbouwen.


4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.3 volgt dat het college zich bij zijn besluitvorming op het advies van het IMK heeft kunnen baseren.


4.5. Het bovenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.J. Govaers en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2012.


(getekend) C. van Viegen


(getekend) N.M. van Gorkum


HD