Centrale Raad van Beroep, 19-07-2012 / 12-1488 MAW


ECLI:NL:CRVB:2012:BX2105

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek voor een tegemoetkoming in de noodzakelijke kosten voor het volgen van een opleiding. De door appellant gewenste studie MBA Sport Management is niet doelmatig. De commandant heeft in dit kader verwezen naar het advies van het DienstenCentrum Externe Bemiddeling Defensiepersoneel (DCEBD) van het ministerie van Defensie. In dit advies is naar voren gekomen dat de door appellant gewenste MBA zich richt op (sr) managers en erop is gericht om professionele sportmanagers met een academische achtergrond verder te ontwikkelen. De eisen in het profiel van een manager in de sportbranche liggen op HBO- of academisch niveau met drie tot vijf jaar werkervaring in de sportwereld in combinatie met ervaring op het gebied van leidinggeven. Appellant heeft naar voren gebracht dat dit slechts een aanname is van het DCEBD. Die aanname komt de Raad niet onredelijk voor.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-07-19
Publicatiedatum
2012-07-20
Zaaknummer
12-1488 MAW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/1488 MAW



Centrale Raad van Beroep



Enkelvoudige kamer



Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 januari 2012, 11/7493 (aangevallen uitspraak)



Partijen:


[A. te B.] (appellant)


Commandant Luchtstrijdkrachten (commandant)


Datum uitspraak: 19 juli 2012



PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


De commandant heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. M.H. Welter. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.N. Koster.



OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant, geboren op 25 juli 1982, is met ingang van 17 augustus 2005 aangesteld bij de Koninklijke luchtmacht als beroepsmilitair voor bepaalde tijd, laatstelijk werkzaam in de functie van senior medewerker bureau interne controle & audit, in de rang van kapitein. In verband met de expiratie van zijn aanstelling op 17 augustus 2013 heeft appellant in april 2011, met het oog op het volgen van de studie MBA Sport Management, een verzoek ingediend voor een tegemoetkoming in de daartoe noodzakelijk te maken kosten.


1.2. Bij besluit van 25 mei 2011 heeft de commandant dit verzoek afgewezen.


1.3. Bij besluit van 29 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft de Minister van Defensie (minister) het bezwaar tegen het besluit van 25 mei 2011 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.


3. Gelet op de standpunten van partijen in hoger beroep overweegt de Raad het volgende.


3.1. De Raad overweegt eerst - ambtshalve - het volgende. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Regeling cursusfaciliteiten en studietoelage komt de bevoegdheid tot het nemen van besluiten als het besluit van 25 mei 2011 en het bestreden besluit toe aan het hoofd defensieonderdeel. Vastgesteld moet dan ook worden dat de minister niet bevoegd was het bestreden besluit te nemen, maar dat de commandant dit was. Dit heeft de rechtbank niet onderkend, hetgeen betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister zich tevens gepresenteerd als gemachtigde van de commandant en meegedeeld dat de commandant het bestreden besluit voor zijn rekening neemt. Hierin ziet de Raad aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten kunnen worden.


3.2. Vastgesteld wordt dat het toekennen van een tegemoetkoming in studiekosten berust op een discretionaire bevoegdheid. De Raad zal het bestreden besluit dan ook terughoudend toetsen en beoordelen of de commandant in redelijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen en daarbij niet heeft gehandeld in strijd met regels van geschreven of ongeschreven recht of algemene rechtsbeginselen.


3.3. De Richtlijnen cursusfaciliteiten studieproject CLSK H-APOO van 9 oktober 2006 (Richtlijnen) bevatten aanwijzingen met betrekking tot de uitvoering van het beleid omtrent cursusfaciliteiten. Voor zover hier van belang, dient de scholing doelgericht en doelmatig te zijn. Bij doelgerichtheid is uitgangspunt verbetering op de interne en/of externe arbeidsmarkt. Dat kan een beroepskwalificatie betreffen en/of een arbeidskwalificatie. Doelmatig wil in dit verband zeggen dat de scholing “just enough” (niet meer dan nodig en niet minder dan verantwoord) en “just in time” (op een logisch en voor de organisatie uitvoerbaar moment) is. Genoemde aanwijzingen van doelgerichtheid en doelmatigheid komen de Raad niet onredelijk voor.


3.4. De commandant heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant zich met de door hem afgeronde opleiding HBO financieel management en met de opgedane werkervaring op dit vakgebied binnen het ministerie van Defensie, reeds voldoende heeft gekwalificeerd voor de externe arbeidsmarkt. Het verlenen van studiefaciliteiten voor de door appellant gewenste studie is dan ook niet doelgericht en niet doelmatig.


3.5. Appellant heeft aangevoerd dat hij slechts van november 2006 tot begin 2010 relevante werkervaring binnen zijn vakgebied bij het ministerie van Defensie heeft kunnen opdoen. Dit betekent dat hij bij het betreden van de arbeidsmarkt in augustus 2013 al meer dan drie jaar geen werk zal hebben verricht op het gebied van zijn scholing. Een dergelijke werkervaring is in redelijkheid te beperkt en te verouderd om zijn gestegen leeftijd en verouderde opleiding te kunnen compenseren.


3.6. Naar het oordeel van de Raad heeft de commandant zich, onder verwijzing naar de Richtlijnen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellant met zijn HBO-opleiding op het gebied van financieel management en de daarin opgedane werkervaring binnen het ministerie van Defensie voldoende gekwalificeerd is om na het eindigen van zijn aanstelling in augustus 2013 een beroep in de burgermaatschappij uit te oefenen. In ieder geval zal appellant zich kunnen onderscheiden van diegenen die de opleiding HBO financieel management net hebben afgerond en zonder werkervaring de arbeidsmarkt betreden. Daarnaast heeft appellant ook op andere gebieden binnen het ministerie van Defensie aantoonbare werkervaring op kunnen doen, waardoor hij zijn kwalificaties heeft verbreed en zichzelf interessanter heeft gemaakt voor de arbeidsmarkt. Dat appellant vanwege zijn gestegen leeftijd en verouderde opleiding moeite zal hebben een baan te vinden op de huidige arbeidsmarkt, is niet aannemelijk. Appellant moet de leeftijd van 30 jaar nog bereiken en daarnaast is de arbeidsmarkt momenteel voor een ieder lastig. Bovendien heeft appellant zijn standpunt in het geheel niet onderbouwd.


3.7. Voorts volgt de Raad de commandant in het standpunt dat de door appellant gewenste studie MBA Sport Management niet doelmatig is. De commandant heeft in dit kader verwezen naar het advies van het DienstenCentrum Externe Bemiddeling Defensiepersoneel (DCEBD) van het ministerie van Defensie. In dit advies is naar voren gekomen dat de door appellant gewenste MBA zich richt op (sr) managers en erop is gericht om professionele sportmanagers met een academische achtergrond verder te ontwikkelen. De eisen in het profiel van een manager in de sportbranche liggen op HBO- of academisch niveau met drie tot vijf jaar werkervaring in de sportwereld in combinatie met ervaring op het gebied van leidinggeven. Appellant heeft naar voren gebracht dat dit slechts een aanname is van het DCEBD. Die aanname komt de Raad niet onredelijk voor.


3.8. Vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten kunnen worden.


4. De Raad ziet aanleiding de commandant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 874,- en in hoger beroep eveneens tot een bedrag van € 874,- aan kosten van rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 29 augustus 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- bepaalt dat de commandant het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 1.748,- vergoedt;

- veroordeelt de commandant in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.288,-.



Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2012.



(getekend) K. Zeilemaker



(getekend) J.M. Tason Avila



HD