Centrale Raad van Beroep, 19-07-2012 / 12-628 MAW


ECLI:NL:CRVB:2012:BX2153

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek voor een bindingspremie. Het was op de peildatum niet waarschijnlijk dat appellant het Ministerie van Defensie zou gaan verlaten, nu appellant, gelet op zijn situatie eind 2008, een functietoewijzing en een bevordering naar de rang van SMJMARNALG in 2009 in het vooruitzicht had. Nu dit eind 2008 reeds een hard gegeven was, ligt daarin volgens de Raad, mede gelet op de beslissingslijsten, een belangrijk verschil, en daarom is geen sprake van gelijke gevallen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-07-19
Publicatiedatum
2012-07-20
Zaaknummer
12-628 MAW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/628 MAW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 december 2011, 11/4712 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Commandant Zeestrijdkrachten (commandant)


Datum uitspraak: 19 juli 2012



PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


De commandant heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.I. van Os. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Botman.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant was werkzaam in de rang van sergeant binnen de subdienstgroep marinier algemeen (SGTMARNALG) bij de Koninklijke marine. Bij besluit van 19 januari 2009 is aan appellant met ingang van 24 juli 2009 een functie toegewezen waaraan de rang van sergeant-majoor binnen de subdienstgroep marinier algemeen (SMJMARNALG) is verbonden. Appellant is met ingang van 24 juli 2009 ook bevorderd naar de rang van sergeant-majoor.


1.2. Appellant heeft in 2010 verzocht met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2009 in aanmerking te worden gebracht voor een bindingspremie. Dit verzoek is bij besluit van 6 oktober 2010 afgewezen.


1.3. Bij besluit van 18 april 2011 (bestreden besluit) heeft de commandant het bezwaar van appellant gericht tegen het besluit van 6 oktober 2010 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen dit bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant, met een beroep op het gelijkheidsbeginsel, aangevoerd dat hij in 2009 aanspraak had op een bindingspremie.


4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht als volgt.


4.1. In de nota Aanstelings- en bindingspremies 2009 van 24 februari 2009, met kenmerk P2008/033984 (nota 2009) is het beleid met betrekking tot de toekenning van aanstellings- en bindingspremies bekend gesteld. Er kan een bindingspremie worden toegekend aan medewerkers die op 1 januari 2009 werkzaam waren binnen een vastgestelde categorie van schaars personeel. In bijlage 2 van de nota 2009 is een overzicht van de schaarste categorieën opgenomen. Daarnaast gelden criteria die bij de gebruikmaking van de bevoegdheid tot toekenning van een bindingspremie tenminste in aanmerking moeten worden genomen. Daaronder valt onder meer de kans op uitstroom.


4.2. Vast staat dat appellant op de peildatum 1 januari 2009 een functie vervulde waaraan de rang van SGTMARNALG was verbonden en dat deze rang behoorde tot een van de schaarste categorieën genoemd in bijlage 2 van de nota 2009. Het geschil draait om het criterium kans op uitstroom.


4.3. De commandant heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor een bindingspremie, omdat appellant eind 2008 reeds op de hoogte was van een op handen zijnde functietoewijzing met ingang van 24 juli 2009 en de daaraan verbonden bevordering naar de rang van SMJMARNALG. De kans op uitstroom van appellant was op de peildatum 1 januari 2009 dus heel klein.


4.4. Appellant heeft met betrekking tot zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel aangevoerd dat De B ook vóór de peildatum van 1 januari 2009 op de hoogte was van zijn overplaatsing en bevordering in 2009 naar een functie in de rang van SMJMARNALG en toch een bindingspremie heeft ontvangen. De B is medio oktober 2008 (toen nog in de rang van SGTMARNALG), in afwachting van zijn nieuwe plaatsing op een functie in de rang van SMJMARNALG, overgeplaatst naar een tijdelijke functie in Opleidings- en Trainingscentrum Rijden. Uiteindelijk is de functie in de rang van SMJMARNALG op 1 maart 2009 vrijgekomen en is deze op die datum aan De B toegewezen. Dit blijkt uit een verklaring van De B aan appellant in een e-mailbericht van 11 oktober 2011. Het functietoewijzingsbesluit van de B dateert van 16 februari 2009.


4.5. De commandant is van opvatting dat sprake is van een rechtens relevant verschil in de situatie van appellant en die van college de B. Niet ontkend wordt dat ook met de B vóór de peildatum van 1 januari 2009 kan zijn gesproken over overplaatsing en bevordering in 2009. Bij appellant is echter reeds in december 2008 het voornemen tot functietoewijzing neergelegd in een zogenoemde beslissingslijst (van 15 december 2008) terwijl dat bij de B pas op 23 januari 2009 is geschied. Het gaat hierom harde gegevens, aldus de commandant, die in gevallen als dit niet uitsluitend wil afgaan op wat militairen voor verwachting hebben over toekomstige toewijzingen. Daarnaast blijkt uit het personeelsinformatiesysteem Peoplesoft dat De B met ingang van 13 oktober 2008 een functie in de rang van SGTMARNALG is toegewezen in Opleidings- en Trainingscentrum Rijden. Als vrijvaldatum is aangegeven 12 oktober 2011. Hieruit vloeit voort dat het om een reguliere functietoewijzing ging en niet, zoals De B heeft verklaard, om een tijdelijke plaatsing in afwachting van een functietoewijzing en bevordering in de rang van SMJMARNALG in 2009.


4.6. De Raad stelt vast dat de zogeheten beslissingslijsten deel uitmaken van een administratieve interne procedure ter voorbereiding op een definitief toewijzingsbesluit. Betrokkenen zijn van die beslissingslijsten niet op de hoogte. Voor de beoordeling van de kans op uitstroom, welke kans direct samenhangt met de toekomstverwachting van de militair, kan daarom aan de beslissingslijsten geen doorslaggevend gewicht worden gehecht. Wel van doorslaggevend belang is dat, gelet op de functietoewijzing van De B met ingang van 13 oktober 2008 in een functie in de rang van SGTMARNALG, de kans aanwezig was dat De B het Ministerie van Defensie in 2009 zou gaan verlaten. Het betrof hier immers een reguliere functietoewijzing met als vrijvaldatum 12 oktober 2011 en de rang van SGTMARNALG behoorde in 2009 tot een schaarstecategorie. De B heeft weliswaar zelf aangegeven dat hem in 2009 een functie in de rang van SMJMARNALG toegewezen zou worden, maar niet is gebleken, ook niet voor De B, dat dit eind 2008 reeds een hard gegeven was. In het geval van appellant was het op de peildatum niet waarschijnlijk dat hij het Ministerie van Defensie zou gaan verlaten, nu appellant, gelet op zijn situatie eind 2008, een functietoewijzing en een bevordering naar de rang van SMJMARNALG in 2009 in het vooruitzicht had. Nu dit eind 2008 reeds een hard gegeven was, ligt daarin volgens de Raad, mede gelet op de beslissingslijsten, een belangrijk verschil, en daarom is geen sprake van gelijke gevallen.


5. Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Aangezien de Raad geen aanleiding ziet toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de proceskosten, wordt beslist als volgt.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2012.


(get.) K. Zeilemaker.


(get.) M.C. Nijholt.


HD