Centrale Raad van Beroep, 24-07-2012 / 11/7205 WWB + 11/7207 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BX2425

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstandsuitkering. (Mede)terugvordering. Gezamenlijke huishouding. Onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellanten allebei hun hoofdverblijf hadden op het adres [C. straat], zodat ook niet is komen vast te staan dat zij in die periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-07-24
Publicatiedatum
2012-07-25
Zaaknummer
11/7205 WWB + 11/7207 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/7205 WWB, 11/7207 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

15 november 2011, 11/1065 (aangevallen uitspraak 1) en 11/1066 (aangevallen uitspraak 2)


Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant) en [appellante] te [woonplaats] (appellante)


het college van burgemeester en wethouders van Noordoostpolder (college)




PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een tweetal verweerschriften ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2012. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Gloudi. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

H.H. Stegeman en J.M. de Vries. De enkelvoudige kamer van de Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst, de behandeling van de zaak verwezen naar de meervoudige kamer, en partijen in de gelegenheid gesteld om nader bewijs aan te dragen.


Partijen hebben nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting is hervat op 12 juni 2012. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Gloudi. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Maandag.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. Appellanten zijn met elkaar gehuwd geweest, hebben samen twee kinderen, en zijn sinds 1998 gescheiden. Tot 29 januari 2003 hebben zij beiden gewoond in de woning op het adres [C. straat] te [woonplaats]. Op 29 januari 2003 is appellante in deze woning blijven wonen en is appellant verhuisd naar de woning van zijn broer aan de [B. straat] te [woonplaats]. Vanaf die datum ontving appellante bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.


1.2. Nadat bij waarnemingen in november 2009 was gezien dat appellant met een op naam van appellante staande auto vanaf haar woning naar zijn werk reed, heeft het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Flevoland (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche dossieronderzoek verricht, registers geraadpleegd, informatie ingewonnen bij diverse instanties, tussen 2 juli 2010 en 13 oktober 2010 waarnemingen en observaties verricht, omwonenden van de adressen waar appellant ingeschreven heeft gestaan gehoord, zijn werkgever gehoord, een buurtonderzoek verricht bij de woning van appellante en appellanten verhoord. De sociale recherche heeft de resultaten van het onderzoek neergelegd in een rapportage van 2 november 2010.


1.3. Bij besluit van 15 november 2010 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2010 beëindigd (lees: ingetrokken). Bij besluit van 24 november 2010, aangevuld bij besluiten van 17 januari 2011 en 19 januari 2011, heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 29 januari 2003 tot en met 30 september 2010 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van € 123.213,83 van haar teruggevorderd op de grond dat zij in haar woning een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant. Bij besluit van 24 november 2010 heeft het college het bedrag van

€ 123.213,83 mede teruggevorderd van appellant.


1.4. Bij twee afzonderlijke besluiten van 10 mei 2011 heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 24 november 2010 ongegrond verklaard. Bij een tweetal besluiten van

8 augustus 2011 heeft het college de periode waarover de bijstand van appellante wordt ingetrokken nader vastgesteld op de periode van 4 mei 2004 tot en met 30 september 2010 en het (mede) terug te vorderen bedrag nader vastgesteld op € 103.616,51. Het college heeft dit besloten omdat onvoldoende grond bestaat voor de conclusie dat appellant van 29 januari 2003 tot en met 3 mei 2004 niet heeft gewoond op het door hem opgegeven adres [B. straat] te [woonplaats].


2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 10 mei 2011 niet-ontvankelijk verklaard, de beroepen tegen de besluiten van 8 augustus 2011 gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd voor zover daarbij is nagelaten de in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de besluiten van 8 augustus 2011 in stand zijn gebleven. Zij hebben aangevoerd dat appellant in de periode van 29 januari 2003 tot 1 april 2009 niet zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van appellante. Vanaf 1 april 2009 tot januari 2011 heeft hij wel bij appellante gewoond.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.


4.2. Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB is bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander.


4.3. Vast staat dat uit de relatie van appellanten op 6 maart 1992 en 26 maart 1996 kinderen zijn geboren, zodat voor de beantwoording van de vraag of appellanten een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd bepalend is of zij hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.


4.4. Tussen partijen is in geschil de vraag of appellanten in de periode van 4 mei 2004 tot en met 31 maart 2009 allebei hun hoofdverblijf in de woning van appellante hebben gehad.


4.5. Het college heeft de conclusie dat dit het geval was gebaseerd op verklaringen van getuigen uit de buurt van de woning van appellante en uit de buurt van de adressen waar appellant ingeschreven heeft gestaan, op verklaringen van S. [naam bewoonster], informatie uit haar bijstandsdossier en op gegevens van het verbruik van gas, elektriciteit en water in de woning van appellante.


4.6. Appellanten hebben op 11 oktober 2010 ieder afzonderlijk tegenover de sociale recherche verklaard dat appellant ongeveer twee à drie keer in de week bij appellante is voor de kinderen en dat hij soms, volgens appellant twee à drie keer per maand, bij appellante slaapt.


4.7. De sociale recherche heeft op 11 en 12 oktober 2010 drie bewoners uit de omgeving van de woning van appellante als getuigen gehoord, als eerste [getuige 1]. Volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van de sociale recherche heeft [getuige 1] verklaard dat appellant zover hij weet daar altijd heeft gewoond, maar ook een periode niet. Uit de handgeschreven en door [getuige 1] ondertekende verklaring blijkt dat hij heeft gezegd: "maar ook wel eens periode niet". De sociale recherche heeft hem niet gevraagd in welke periode of periodes appellant daar niet woonde. Vervolgens heeft de sociale recherche gehoord de buurman [buurman P. ] en [buurvrouw H. ], tot en met december 2009 de buurvrouw. Beiden hebben verklaard dat naast hen een gezin woont, bestaande uit man, vrouw en twee kinderen. Aan geen van beiden heeft de sociale recherche gevraagd of appellant één of meer periodes weg is geweest. Opmerkelijk is dat [buurvrouw H. ] in de handgeschreven, door haar ondertekende, verklaring heeft gezegd: "Kende hen alleen van begroeten". In het proces-verbaal dat de sociale recherche van deze getuigenis heeft opgesteld staat vermeld: "Ik ken ze alleen van begroeten en af en toe een praatje over de heg. Hun dochter kwam wel eens bij mij om wat te vragen."


4.8. Bij de beoordeling van de waarde die aan deze drie getuigenverklaringen kan worden gehecht, is van belang dat de verklaringen zien op een lange periode, dat appellant van

2 februari 1999 tot 29 januari 2003 en vanaf 1 april 2009 tot januari 2011 in ieder geval op het adres [C. straat] heeft gewoond en dat appellanten hebben verklaard dat appellant daar in de periode van 29 januari 2003 tot en met 31 maart 2009 niet woonde, maar wel twee à drie in de week langs kwam. Weliswaar woonden de getuigen daar sinds lange tijd, maar de sociale recherche heeft niet gevraagd of de situatie al die tijd hetzelfde is geweest, ondanks de aanwijzing in de verklaring van [getuige 1] dat dat niet het geval was. Uitgaande van de handgeschreven verklaringen, bevatten deze vooral de indruk van de getuige dat appellant op het adres woonde, maar ontbreken specifieke, gedetailleerde feitelijke gegevens, voortkomend uit eigen wetenschap, over het dagelijks leven in en om de woning van appellante, die de conclusie rechtvaardigen dat appellant daar in de in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf heeft gehad. In de besluiten van 8 augustus 2011 heeft het college dit standpunt zelf ook al ingenomen voor de periode van 29 januari 2003 tot en met 3 mei 2004.


4.9. Tussen 4 mei 2004 en 6 oktober 2008 heeft appellant ingeschreven gestaan op de volgende adressen: [P. straat] te [woonplaats] (van 4 mei 2004 tot 8 juli 2004), [M. straat] te [woonplaats] (van 8 juli 2004 tot 5 november 2004), [P. straat] (van

5 november 2004 tot 20 april 2005), [S.straat] te Den Haag (van 20 april 2005 tot

9 januari 2006), [P. straat] (van 9 januari 2006 tot 30 juni 2006), [N. ] te Espel (van 30 juni 2006 tot 5 november 2006), [S. ] te [woonplaats] (van 5 november 2006 tot 6 oktober 2008).


4.10 De sociale recherche heeft geen getuigen gehoord uit de buurt van de adressen [M. straat] te [woonplaats] en [S.straat] te Den Haag, ook niet nadat het college daartoe alsnog in de gelegenheid is gesteld. Over de perioden dat appellant op deze adressen ingeschreven heeft gestaan bestaat, in lijn met de besluiten van het college van 8 augustus 2011, onvoldoende grond voor de conclusie dat appellant niet op deze adressen heeft gewoond.


4.11. De bewoonster van de [P. straat], [naam bewoonster], volgens appellant zijn vriendin, heeft op 11 oktober 2010 tegenover de sociale recherche verklaard dat appellant bij haar ingeschreven heeft gestaan. Naast enkele andere verschillen tussen de handgeschreven, door [naam bewoonster] ondertekende verklaring en haar verklaring in het proces-verbaal van de sociale recherche, ontbreekt in het proces-verbaal de zin “Gaat nu goed”, voorafgaand aan haar verklaring dat zij geen relatie heeft met appellant, dat hij niet bij haar slaapt en dat zij weet dat hij bij zijn vrouw woont. Het is onduidelijk over welke periode zij het dan heeft en wat de sociale recherche haar heeft gevraagd. In beroep heeft [naam bewoonster] schriftelijk verklaard dat appellant in de tijd dat hij bij haar ingeschreven stond ook bij haar woonde. De dochter van [naam bewoonster] heeft deze verklaring bevestigd. In hoger beroep heeft [naam bewoonster] nog verklaard dat de sociale recherche haar op 11 oktober 2010 vroeg of appellant op dat moment bij haar woonde. Hoewel uit de verklaringen van [naam bewoonster] niet duidelijk is geworden of appellant gedurende de drie periodes dat hij bij haar ingeschreven stond ook bij haar heeft gewoond, acht de Raad het geloofwaardig dat hij in de in geding zijnde periode in ieder geval gedurende twee periodes in de [P. straat] heeft gewoond en dus niet op het adres van appellante. De stukken uit het bijstandsdossier van [naam bewoonster], die vanaf september 2005 bijstand ontving, doen hier niet aan af. Als appellant in de derde periode dat hij bij [naam bewoonster] stond ingeschreven, van 9 januari 2006 tot 30 juni 2006, bij haar heeft gewoond, kan uit deze dossierstukken hooguit worden afgeleid dat [naam bewoonster] dat niet heeft gemeld. Als appellant toen niet bij [naam bewoonster] heeft gewoond, staat daarmee nog niet vast dat hij in de woning van appellante heeft gewoond.


4.12. De bewoonster van de [N. ], [bewoonster R], heeft op 18 oktober 2010 tegenover de sociale recherche verklaard dat appellant wel eens gebruik wilde maken van haar adres, maar dat zij dat niet goed vond. Anders dan in de handgeschreven, door [bewoonster R] ondertekende verklaring, staat in het door de sociale recherche opgemaakte proces-verbaal, naast een aantal andere verschillen: “Ik weet dat [appellant] bij zijn vrouw woonde”. In de handgeschreven verklaring komt deze zin niet voor. Daarin staat dat [bewoonster R] een keer op koffievisite is geweest bij appellanten, maar niet wanneer, noch dat appellant op het adres van appellante woonde. Voor zover op grond van deze enkele verklaring zou kunnen worden geconcludeerd dat appellant van 30 juni 2006 tot 5 november 2006 niet heeft gewoond op de [N. ], is daarmee niet komen vast te staan dat hij in die periode zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante.


4.13. Ditzelfde geldt voor de periode waarin appellant ingeschreven heeft gestaan op het adres [S. ]. De twee getuigen die de sociale recherche uit de buurt van deze woning heeft gehoord, [getuigen V. en [getuige M. ] hebben verklaard dat appellant, die zij wel herkenden, daar niet heeft gewoond. Blijkens de handgeschreven en ondertekende verklaring van [getuige M. ] heeft hij ook verklaard: “Waar dan wel weet ik niet.” Deze zin ontbreekt in het proces-verbaal dat de sociale recherche van zijn getuigenis heeft opgesteld.


4.14. Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld heeft het college nog gegevens ingebracht van het verbruik van gas, elektriciteit en water in de woning van appellante. Het gasverbruik over de periode van april 1999 tot maart 2012 schommelt tussen de 1.274 m³ en de 1.740 m³, bij een landelijk gemiddeld verbruik voor een tussenwoning van 1.400 m³. Het elektriciteitsverbruik over deze periode is laag en schommelt tussen 2.366 kWh en 3.564 kWh, bij een gemiddeld verbruik van 4.100 kWh voor drie personen en 4.700 kWh voor vier personen. Dergelijke schommelingen in gas- en elektriciteitsverbruik zijn ook te zien in de periode tot 2003, waarvan vast staat dat appellant op het adres woonde, terwijl geen laag verbruik te zien is in de twee periodes dat appellant bij zijn broer woonde. Ook het waterverbruik, tussen 100 m³ en 153 m³ bij een gemiddeld verbruik van 135 m³ voor drie personen en 170 m³ voor vier personen, is laag. Gegevens over het waterverbruik voor april 2003 ontbreken. Aan het feit dat het verbruik in de periode vanaf april 2009 zich niet onderscheidt van de jaren daarvoor, zoals het college heeft gesteld, kan gelet op de schommelingen in verbruik, niet de conclusie worden verbonden dat appellant op het adres woonachtig was. Dit kan ook worden verklaard doordat het energie- en waterverbruik, zoals appellanten hebben gesteld, voornamelijk wordt bepaald door de twee opgroeiende kinderen en dat de aanwezigheid van appellant daarop weinig invloed heeft, omdat hij douchet op zijn werk en veel weg is.


4.15. Uit wat onder 4.5 tot en met 4.14 is overwogen volgt dat er onvoldoende feitelijke grondslag is voor de conclusie dat appellanten in de periode van 4 mei 2004 tot en met

31 maart 2009 allebei hun hoofdverblijf hadden op het adres [C. straat], zodat ook niet is komen vast te staan dat zij in die periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad zal de aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het aan appellante gerichte besluit van 8 augustus 2011 tevens vernietigen, voor zover het betreft de intrekking over de periode van 4 mei 2004 tot en met 31 maart 2009 en voor zover het de (ondeelbare) terugvordering betreft in zijn geheel. Verder zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht het besluit van 24 november 2010, aangevuld bij besluiten van 17 januari 2011 en 19 januari 2011, herroepen, voor zover betrekking hebbend op de intrekking over de periode van 4 mei 2004 tot en met

31 maart 2009, aangezien dit besluit op dezelfde, onhoudbare gebleken grondslag berust als het besluit van 8 augustus 2011. De Raad zal ook de aangevallen uitspraak 1 vernietigen voor zover aangevochten en het aan appellant gerichte besluit van 8 augustus 2011 tevens vernietigen voor zover het de medeterugvordering betreft.


4.16. Het aan appellante gerichte besluit van 8 augustus 2011 berust wel op een deugdelijke grondslag voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 1 april 2009 tot en met 30 september 2010. Daarmee is gegeven dat het college bevoegd is de kosten van bijstand over die periode met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van appellante terug te vorderen en met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB mede van appellant terug te vorderen. De uitoefening van de terugvorderingsbevoegdheid en de medeterugvorderingsbevoegdheid is niet bestreden. Dit betekent dat nog slechts het bedrag van de (mede)terugvordering dient te worden vastgesteld, en dat de daarvoor geldende bedragen geen onderwerp van geschil meer kunnen zijn. De Raad kan deze berekening niet zelf maken. Nu bovendien de toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus zich niet verdraagt met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding, zal op dit punt een opdracht worden gegeven tot het nemen van een nieuw besluit.


5. Het college zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.092,50 voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraken 1 en 2 voor zover aangevochten;

- vernietigt het aan appellante gerichte besluit van 8 augustus 2011 voor zover het de

intrekking betreft over de periode van 4 mei 2004 tot en met 31 maart 2009 en de

terugvordering;

- herroept het aan appellante gerichte besluit van 24 november 2010 aangevuld bij besluiten

van 17 januari 2011 en 19 januari 2011, voor zover het betreft de intrekking over de periode

voor 1 april 2009 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit

van 8 augustus 2011 voor zover vernietigd;

- draagt het college op om over de terugvordering een nieuwe beslissing te nemen op het

bezwaar van appellante met inachtneming van deze uitspraak;

- vernietigt het aan appellant gerichte besluit van 8 augustus 2011;

- draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant met

inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten in hoger beroep tot een bedrag

van € 1.092,50;

- bepaalt dat het college aan appellante en aan appellant het in hoger beroep betaalde

griffierecht van € 112,-- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en W.F. Claessens en

M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2012.




(getekend) J.N.A. Bootsma




(getekend) N.M. van Gorkum



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.



HD