Centrale Raad van Beroep, 24-07-2012 / 10/5391 WWB + 10/7094 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BX2485

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand en verleende langdurigheidstoeslagen. Vermogen in Turkije. Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij geen eigenaar is van twee appartementen. Voor de stelling van appellant dat indien hij als eigenaar van de appartementen moet worden aangemerkt, hij bij zijn zoons een schuld heeft ter hoogte van de bedragen die zijn zoons voor de bouw van de appartementen ter beschikking hebben gesteld en op zijn bankrekening hebben gestort, zijn in het dossier geen objectieve aanknopingspunten te vinden. Het is aannemelijk dat appellant niet duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-07-24
Publicatiedatum
2012-07-25
Zaaknummer
10/5391 WWB + 10/7094 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/5391 WWB, 10/7094 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer



Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Dordrecht van

20 augustus 2010, 09/627 (aangevallen uitspraak 1) en van 19 november 2010, 10/52 (aangevallen uispraak 2)


Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtsteden (bestuurscommissie)



PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat, in beide zaken afzonderlijk hoger beroep ingesteld.


De bestuurscommissie heeft in beide zaken afzonderlijk verweerschriften ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2012. Voor appellant is verschenen mr. Manspeaker. De bestuurscommissie heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Kleijn.



OVERWEGINGEN


1. Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden


1.1. Appellant ontving vanaf 29 juni 1980 met onderbrekingen een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant samenwoont op het adres van zijn echtgenote aan het [adres 1] te [woonplaats] en een dossieronderzoek waaruit het vermoeden is ontstaan dat appellant beschikt over vermogen in de vorm van een woning in Turkije, heeft de Afdeling sociale recherche van de Sociale Dienst Drechtsteden een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de onder meer aan appellant verleende bijstand. In dat kader is de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden in Ankara (Turkije) via het Internationaal Bureau Fraude informatie sociale verzekering verzocht een onderzoek in te stellen naar vermogen van appellant in Turkije. Uit het ingestelde onderzoek is onder meer gebleken dat appellant voor twee op 10 mei 1999 opgeleverde woningen belastingaangiftes heeft gedaan. In het rapport van de Ambassade van 26 juni 2007 wordt een getaxeerde waarde van in totaal € 60.000,-- genoemd. In dat rapport is tevens de volgende verklaring van appellant opgenomen: “ Ik ben [appellant]. Het is waar dat deze appartementen van mij zijn. Ik kocht hen met behulp van mijn zonen. (..) ”

In het kader van het onderzoek is verder onder meer dossieronderzoek gedaan, zijn afschriften van de bankrekening van appellant overgelegd, zijn appellant en zijn echtgenote verhoord en zijn buren rond het adres [adres 1] te [woonplaats] en rond het door appellant opgegeven adres [adres 2 ] te [woonplaats] gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal dat is afgesloten op 3 juni 2008.


1.3. Bij besluit van 31 maart 2008, voor zover van belang, heeft de bestuurscommissie de bijstand van appellant over verschillende perioden vanaf 10 mei 1999 herzien dan wel ingetrokken en de over de periode van 10 mei 1999 tot en met 31 december 2007 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand en de verleende langdurigheidstoeslagen over 2005, 2006 en 2007 van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 56.253,25.


1.4. Bij besluit van 6 februari 2008 heeft de bestuurscommissie de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2008 ingetrokken.


1.5. Bij besluit van 16 april 2009 (bestreden besluit 1) heeft de bestuurscommissie het bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2008 deels gegrond verklaard en het terug te vorderen bedrag bepaald op € 60.038,51. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant vanaf 10 mei 1999 in respectievelijke perioden beschikt en heeft beschikt over onroerend goed in Turkije in de vorm van twee appartementen, dat appellant niet duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote, dat appellant inkomsten heeft ontvangen in de vorm van periodieke stortingen op zijn bankrekening en dat appellant van het een en ander geen mededeling heeft gedaan aan de bestuurscommissie waardoor ten onrechte bijstand is verleend.


1.6. Bij besluit van 7 januari 2010 (bestreden besluit 2) heeft de bestuurscommissie het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2008 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven met uitzondering van de hoogte van het terug te vorderen bedrag, dat is gesteld op € 56.253,25.


2.1. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten, en tegen de aangevallen uitspraak 2 gekeerd. Hij heeft hierbij nagenoeg dezelfde gronden naar voren gebracht als in beroep.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak 1 ter zake van de in beroep aangevoerde gronden, kort samengevat, het volgende overwogen. Wat betreft de periode van 10 mei 1999 tot en met 16 september 2001 is de rechtbank onder verwijzing naar onder meer het rapport van de Ambassade van 26 juni 2007 en vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 26 mei 2009,

LJN BI7143) van oordeel dat appellant als eigenaar van de twee appartementen kan worden aangemerkt. Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij geen eigenaar is. Uit de door appellant overlegde verklaringen valt niet verifieerbaar op te maken dat de appartementen door anderen, in het bijzonder zijn zoons, zijn gefinancierd, maar ook indien dit wel het geval is, dan doet dit niet af aan het eigendom van appellant. Uitgegaan kan worden van de taxatiewaarde uit het rapport. Uit de door appellant overlegde verklaring over de waarde van de appartementen blijkt niet de deskundigheid van de opsteller en op basis waarvan de taxatie heeft plaatsgevonden. Wat betreft de periode van 1 maart 2002 tot en met 9 mei 2004 is de rechtbank van oordeel dat de stortingen op de bankrekening van appellant, gelet op de regelmaat en de onduidelijke herkomst van de stortingen, door het college terecht als inkomsten zijn aangemerkt. Wat betreft de periode van 10 mei 2004 tot en met

12 september 2007 heeft de rechtbank met betrekking tot stortingen op de bankrekening van appellant in dezelfde zin overwogen als hiervoor. Verder heeft de rechtbank op basis van de tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen van appellant en zijn echtgenote alsmede de verklaringen van de buren van het adres [adres 1] te [woonplaats] en van het adres [adres 2 ] te [woonplaats] aannemelijk geacht dat appellant in ieder geval vanaf 10 mei 2004 weer woonachtig was op het adres van zijn echtgenote aan het [adres 1] te [woonplaats]. De stelling van appellant dat de verklaringen van appellant en zijn echtgenote niet mogen worden gebruikt omdat zij in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zijn afgelegd zonder bijstand van een raadsman vanaf de aanvang van de verhoren, heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 19 mei 2009, LJN BI6036) verworpen. Tenslotte heeft de rechtbank met betrekking tot de periode van 13 september 2007 tot en met 31 december 2007 overwogen dat de bestuurscommissie er terecht vanuit is gegaan dat appellant na de verkoop van de appartementen aan zijn zoons op 13 september 2007 over vermogen beschikte boven het voor hem van toepassing zijnde vrij te laten vermogen.


4.2. In de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak 1 gevolgd, aangezien de intrekking van de bijstand per 1 januari 2008 onderdeel uitmaakt van hetzelfde feitencomplex als waarop de intrekking van de bijstand over de periode van 13 september 2007 tot en met 31 december 2007 is gebaseerd.


4.3. De Raad stelt zich achter de onder 4.1 en 4.2 vermelde overwegingen van de rechtbank en de daarop gegronde oordelen. De Raad voegt daar het volgende aan toe.


4.4. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 30 november 2010, LJN BO6538) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder van hen afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.


4.5. Op grond van vooral de verklaringen van appellant en zijn echtgenote is aannemelijk dat appellant in de betreffende periode niet duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote. Appellant heeft in aanvulling op de in beroep aangevoerde grond gesteld dat op het moment dat hij verdacht wordt van het schenden van de op hem rustende inlichtingenverplichting nog niet duidelijk is of naast de intrekking en de terugvordering van de bijstand hij ook nog strafrechtelijk zal worden vervolgd. Voor zover dit betoog erop neerkomt dat vanwege schending van artikel 6, derde lid, van het EVRM in een (mogelijk) strafrechtelijke procedure, het mede daardoor verkregen bewijs niet door de bestuurscommissie in de onderhavige procedure kan worden benut, wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak, waaruit volgt dat dit slechts het geval is indien bewijs is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Er is echter geen sprake van dat de hier gehanteerde verklaring op een dergelijke wijze is verkregen.


4.6. Voor de stelling van appellant dat indien hij als eigenaar van de appartementen moet worden aangemerkt, hij bij zijn zoons een schuld heeft ter hoogte van de bedragen die zijn zoons voor de bouw van de appartementen ter beschikking hebben gesteld en op zijn bankrekening hebben gestort, zijn in het dossier geen objectieve aanknopingspunten te vinden. Daarbij wordt opgemerkt dat de appartementen op 10 mei 1999 zijn opgeleverd terwijl de stortingen op de bankrekening van appellant na dit tijdstip zijn gedaan. Zoals ter zitting van de Raad namens appellant is bevestigd, zijn er geen op schrift gestelde leenovereenkomsten tussen appellant en zijn zoons en zijn er geen concrete afspraken gemaakt over aflossing.


4.7. Gelet op het voorafgaande slaagt het hoger beroep niet. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd en dat de aangevallen uitspraak 2 moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;

- bevestigt de aangevallen uitspraak 2.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en

B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2012.




(getekend) C. van Viegen




(getekend) J. van Dam



HD