Centrale Raad van Beroep, 31-07-2012 / 11-2129 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BX3323

Inhoudsindicatie
Het besluit van het college om de bijzondere bijstand te verlenen in de vorm van een geldlening is genomen in overeenstemming met het beleid. Appellant volgt geen traject schuldhulpverlening. Het college kan voorts worden gevolgd in zijn in het verweerschrift ingenomen standpunt dat ook in de overige door appellant gestelde omstandigheden onvoldoende grond kan worden gezien voor afwijking van het beleid. Dat appellant als gevolg van ziekte periodiek slecht voor zichzelf kan zorgen, levert nog geen heel bijzondere situatie op in de zin van het beleid om de bijstand in de vorm van een gift te verlenen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-07-31
Publicatiedatum
2012-08-01
Zaaknummer
11-2129 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/2129 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 maart 2011, 10/3856 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[Appellant] te [woonplaats] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)


Datum uitspraak 31 juli 2012.


PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M. de Boorder, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2012. Voor appellant is

mr. De Boorder verschenen. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.


OVERWEGINGEN


1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.


1.1. Bij besluit van 19 januari 2010 heeft het college aan appellant bijzondere bijstand tot een bedrag van € 1.902,75 toegekend voor de kosten van inrichting van zijn woning. De bijstand is verleend in de vorm van een geldlening.


1.2. Bij besluit van 26 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 januari 2010 gegrond verklaard, met dien verstande dat het toegekende bedrag is verhoogd naar € 3.569,50. De vorm waarin de bijstand is verleend is ongewijzigd gebleven.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft met een beroep op zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn psychische ziekte en zijn enorme schuldenlast, aangevoerd dat de bijzondere bijstand hem als gift had behoren te worden verleend.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. In artikel 51, eerste lid, van de Wet werk en bijstand is bepaald dat bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag aan niet.


4.2. Het college hanteert het beleid - neergelegd in het Werkboek WWB - dat bijzondere bijstand voor algemene kosten van het bestaan, waaronder begrepen de kosten van duurzame gebruiksgoederen, alleen maar in de vorm van een geldlening wordt verstrekt en dat daarop slechts in heel bijzondere situaties een uitzondering kan worden gemaakt. Daarbij is als voorbeeld genoemd een klant van de sociale dienst die bezig is met een traject schuldhulpverlening. In het beleid is in dit verband nog als aandachtspunt genoemd dat, ook als sprake is van een beslag, vorderingen of andere schulden, de bijzondere bijstand voor algemene kosten als geldlening wordt verstrekt. De geldlening geldt, aldus het beleid, in dit geval als een soort reservering achteraf. Ook hier geldt, aldus het beleid, dat alleen in heel bijzondere situaties de mogelijkheid bestaat van individualiseren.


4.3. Ter zitting is van de kant van appellant naar voren gebracht dat het beleid niet consistent is en willekeurig wordt toegepast, aangezien de situatie van appellant wel bijzonder genoeg wordt gevonden om aan hem bijzondere bijstand te verlenen, maar niet om de bijstand als gift te verlenen. De Raad volgt dat standpunt niet.


4.3.1. In het Werkboek WWB is in de eerste plaats uitgewerkt in welke gevallen bijzondere bijstand wordt verleend. Vervolgens is geregeld, voor het geval bijstandsverlening aan de orde is, welke vorm die bijstand moet hebben. In de situatie van appellant heeft het college aangenomen dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten die rechtvaardigen dat aan hem bijzondere bijstand wordt verleend. Vervolgens is, met toepassing van het beleid, bezien in welke vorm die verlening diende plaats te hebben. Appellant heeft niet onderbouwd dat het college bij de toepassing van dit beleid willekeurig handelt.


4.3.2. Het besluit van het college om de bijzondere bijstand te verlenen in de vorm van een geldlening is genomen in overeenstemming met het beleid. Appellant volgt geen traject schuldhulpverlening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die rechtvaardigen dat van de hoofdregel dat deze bijstand in de vorm van een geldlening wordt verleend dient te worden afgeweken. In dit verband is, bij gebreke van gegevens daarover, niet gebleken van een met een situatie van schuldhulpverlening vergelijkbare problematische schuldensituatie.


4.3.3. Het college kan voorts worden gevolgd in zijn in het verweerschrift ingenomen standpunt dat ook in de overige door appellant gestelde omstandigheden onvoldoende grond kan worden gezien voor afwijking van het beleid. Dat appellant als gevolg van ziekte periodiek slecht voor zichzelf kan zorgen, levert nog geen heel bijzondere situatie op in de zin van het beleid om de bijstand in de vorm van een gift te verlenen. Hierbij wordt aangetekend dat de lening in beginsel wordt terugbetaald door inhouding op de bijstandsuitkering van appellant en dat uit het besluit van 19 januari 2010 blijkt dat het college ter zake van de in geding zijnde geldlening vooralsnog geen aflossingsverplichting voor appellant heeft vastgesteld.


4.4. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012.



(getekend) C. van Viegen


(getekend) R. Scheffer


HD