Centrale Raad van Beroep, 13-09-2012 / 10-431 MPW


ECLI:NL:CRVB:2012:BX7280

Inhoudsindicatie
Afwijzing tegemoetkoming in de kosten van huishoudelijke hulp: de medische indicatie voor de gevraagde voorzieningen is niet gelegen in de psychische klachten maar in niet aan de dienst gerelateerde - lichamelijke - aandoeningen van appellant. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de minister zich op het standpunt dat, waar het gaat om psychische invaliditeit, van een medische dan wel sociaal-medische indicatie voor huishoudelijke hulp slechts bij hoge uitzondering sprake is. De minister heeft nader uiteengezet dat daartoe sprake moet zijn van ernstige psychische beperkingen, met name in de zin van algehele apathie of verwardheid, zelfverwaarlozing of ernstige fobische klachten, die het verrichten van huishoudelijke taken (nagenoeg) onmogelijk maken. Weliswaar is dit standpunt niet neergelegd in een op schrift gestelde en bekend gemaakte beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar aannemelijk is geworden dat het hier gaat om een in de praktijk gegroeide gedragsregel, die door de minister stelselmatig wordt toegepast. De Raad acht die gedragsregel op zichzelf niet in strijd met een redelijke uitleg van artikel 3 van de Regeling. Gelet op artikel 4:82 van de Awb kan de minister ter motivering van een besluit niet volstaan met naar de vaste gedragsregel te verwijzen. Dit neemt echter niet weg dat de minister bij de motivering van het bestreden besluit de inhoud van deze regel tot uitgangspunt mocht nemen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-09-13
Publicatiedatum
2012-09-14
Zaaknummer
10-431 MPW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/431 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 december 2009, 08/8793 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[Appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Staatssecretaris van Defensie, thans: de Minister van Defensie (minister)


Datum uitspraak 13 september 2012.


PROCESVERLOOP

In verband met een herverdeling van taken is in dit geding de minister in de plaats getreden van de Staatssecretaris van Financiën. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de staatssecretaris verstaan.


Namens appellant heeft mr. W.B. Knook hoger beroep ingesteld.


De minister heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2012. Voor appellant is mr. Knook verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben.


OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant is van 1953 tot 1959 als beroepsmilitair in dienst geweest bij de Koninklijke Marine. In dat kader is hij uitgezonden naar Nieuw Guinea. Vast staat dat hij lijdt aan elementen van een posttraumatische stress-stoornis (PTSS) met een oorzakelijk dienstverband.


1.2. In juni 2007 heeft appellant verzocht om een tegemoetkoming in de kosten van huishoudelijke hulp. Bij besluit van 17 september 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 oktober 2008 (bestreden besluit), heeft de minister dit verzoek afgewezen op de grond dat de medische indicatie voor de gevraagde voorzieningen niet is gelegen in de psychische klachten maar in niet aan de dienst gerelateerde - lichamelijke - aandoeningen van appellant.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.


3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.


3.1. Het gaat hier om een leefvoorziening met betrekking tot de kosten verbonden aan op zich normale huishoudelijke uitgaven als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, sub 4, van de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs en dienstslachtoffers (Regeling). Ingevolge artikel 3, aanhef en onder a, van de Regeling wordt zo'n voorziening slechts verleend indien de verstrekking daarvan in verband met de aanwezige invaliditeit om medische dan wel sociaal-medische redenen aangewezen is.


3.2. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de minister zich op het standpunt dat, waar het gaat om psychische invaliditeit, van een medische dan wel sociaal-medische indicatie voor huishoudelijke hulp slechts bij hoge uitzondering sprake is. De minister heeft nader uiteengezet dat daartoe sprake moet zijn van ernstige psychische beperkingen, met name in de zin van algehele apathie of verwardheid, zelfverwaarlozing of ernstige fobische klachten, die het verrichten van huishoudelijke taken (nagenoeg) onmogelijk maken. Weliswaar is dit standpunt niet neergelegd in een op schrift gestelde en bekend gemaakte beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar aannemelijk is geworden dat het hier gaat om een in de praktijk gegroeide gedragsregel, die door de minister stelselmatig wordt toegepast. De Raad acht die gedragsregel op zichzelf niet in strijd met een redelijke uitleg van artikel 3 van de Regeling. Gelet op artikel 4:82 van de Awb kan de minister ter motivering van een besluit niet volstaan met naar de vaste gedragsregel te verwijzen. Dit neemt echter niet weg dat de minister bij de motivering van het bestreden besluit de inhoud van deze regel tot uitgangspunt mocht nemen. De Raad volgt appellant dan ook niet in zijn stelling dat de bestreden weigering reeds wegens het ontbreken van beleid geen stand kan houden.


3.3. Het standpunt van de minister dat in het geval van appellant huishoudelijke hulp alleen medisch is geïndiceerd vanwege niet aan de dienst gerelateerde lichamelijke aandoeningen, en niet vanwege zijn psychische klachten, berust op een advies van een geneeskundig adviseur, de verzekeringsarts P.G. Verkerk. Deze heeft bij het opstellen van dit advies gebruik gemaakt van de resultaten van een op 21 april 2005 ingesteld militair geneeskundig onderzoek naar aanleiding van het verzoek van appellant om een hobbykostenvergoeding, bij welk onderzoek ook gegevens uit de behandelende sector zijn betrokken. Tevens had Verkerk appellant in juli 2006 onderzocht naar aanleiding van een verzoek om een vervoerskostenvoorziening, en beschikte hij over een in dat kader uitgebracht rapport van de psychiater J.M.V. Mulder uit september 2006.


3.4. In bezwaar heeft appellant verklaringen overgelegd van de psychiater H.C.P. Venema uit 2004, en van de huisarts H.J. Kramer en de behandelend psycholoog A. Wiersema-Ouwehand uit oktober 2007. Deze verklaringen hebben Verkerk niet tot een ander oordeel gebracht, onder meer omdat uit het rapport van de psychiater Mulder niet blijkt van algehele apathie, totale verwarring of andere ernstige beperkingen ten gevolge van de psychische aandoening met dienstverband en omdat de huisarts en de psycholoog niet zijn ingegaan op de ergonomische beperkingen als gevolg van twee doorgemaakte rughernia's en een aandoening van het hersenvaatstelsel (TIA of CVA), waarvoor geen dienstverband is aangenomen. De door de psycholoog naar voren gebrachte geheugen- en concentratiestoornissen, die appellant in het huishouden beperken, zijn volgens Verkerk medisch gesproken met meer waarschijnlijkheid toe te schrijven aan de recent doorgemaakte hersenvaataandoening dan aan zijn psychische aandoening. De zienswijze van Verkerk is in januari 2009 door een andere geneeskundig adviseur, de verzekeringsarts H.W. Kharagjitsing, onderschreven.


3.5. De Raad acht het bestreden besluit met de adviezen van Verkerk en Kharagjitsing voldoende deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Ernstige psychische beperkingen in de onder 3.2 bedoelde zin zijn niet naar voren gekomen. De verzekeringsarts Verkerk zag bij zijn onderzoek in juli 2006 een geestelijk vitale en adequate man met voornamelijk rugbeperkingen. De psychiater Mulder meldde in september 2006 onder meer dat appellant zijn huishouden doet, met zijn computer bezig is, en daar kalm van wordt. Van enige beperking in het huishouden maakte Mulder geen melding en hij zag de psychische problemen van appellant eigenlijk alleen nog gelegen in de soms tekortschietende agressie en impulsregulatie. Ook uit de verklaring van de psychiater Venema komen geen huishoudelijke belemmeringen naar voren. Dat deze situatie wezenlijk was veranderd in juni 2007, toen appellant zijn verzoek voor huishoudelijke hulp indiende, blijkt niet. In de verklaring van de huisarts is niet méér gesteld dan dat een PTSS kan leiden tot onoordeelkundig indelen van het huishouden; in hoeverre dit bij appellant het geval is, wordt niet aangegeven. De psycholoog Wiersema-Ouwehand spreekt in haar verklaring wel over problemen van appellant bij het geven van sturing aan zijn huishouden, maar de aard en de omvang van deze problemen worden door haar niet nader geconcretiseerd. Evenmin maakt zij duidelijk waarom het gebrek aan overzicht, de problemen met concentratie en geheugen, de vermoeidheid, de depressieve klachten en de radeloosheid die zij bij appellant signaleert voortvloeien uit zijn PTSS en niet, zoals Verkerk meent, uit zijn niet-causale hersenvaataandoening. Ook overigens zijn geen objectieve medische gegevens overgelegd op grond waarvan de zienswijze van de geneeskundig adviseurs voor onjuist zou moeten worden gehouden.


3.6. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.


4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2012.


(getekend) A. Beuker-Tilstra


(getekend) M.R. Schuurman


HD