Centrale Raad van Beroep, 14-09-2012 / 10-6902 WAJONG


ECLI:NL:CRVB:2012:BX9067

Inhoudsindicatie
Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-09-14
Publicatiedatum
2012-10-04
Zaaknummer
10-6902 WAJONG
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/6902 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 november 2010, 09/8008 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B.]


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


Datum uitspraak 14 september 2012.


PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H. Samama, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft nadien een vraag van de Raad beantwoord.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Samama. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.


OVERWEGINGEN


1. Appellant, geboren op 15 oktober 1983, heeft in zijn op 16 maart 2009 gedateerde aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) opgegeven dat hij met ingang van 28 februari 2006 arbeidsongeschikt is geworden als gevolg van een verkeersongeval. In het rapport van de verzekeringsarts van 14 mei 2009 is vermeld dat appellant op 28 februari 2006 studerende was en studiefinanciering ontving.


2. Volgens het in overweging 1 vermelde rapport heeft de verzekeringsarts op basis van het lichamelijk en psychisch onderzoek als diagnose een depressieve episode en een whiplash associated disorder gesteld. In verband hiermee stelde de verzekeringsarts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, waarin een aantal psychische en lichamelijke beperkingen werden vastgelegd. Bij het arbeidskundig onderzoek werd vastgesteld dat appellant de wachttijd niet had volgemaakt. Om deze reden weigerde het Uwv bij besluit van 12 juni 2009 aan appellant een Wajong-uitkering en stelde hij tevens vast dat appellant in elk geval vanaf 16 maart 2008, zijnde één jaar voor indiening van de aanvraag, minder dan 25% arbeidsongeschikt was.


3. In de bezwaarprocedure kreeg de bezwaarverzekeringsarts de beschikking over informatie van PsyQ van 22 september 2009. Daarin werd aangetekend dat appellant zich 2,5 jaar na het verkeersongeval meldde met stemmings- en voorts met pijnklachten aan nek, hoofd en schouder. Volgens de psychiater van PsyQ werden stemmingswisselingen en dagschommelingen ontkend en leken angstklachten niet aanwezig te zijn. Verder meldde appellant wel eens nachtmerries over het ongeluk te hebben en ontkende hij overige traumatische ervaringen. Als voorlopige diagnose stelde deze psychiater een posttraumatische stressstoornis, een pijnstoornis en een eenmalige, matige depressie. De bezwaarverzekeringsarts leidde in een rapport van 30 september 2009 uit deze informatie af dat er op het einde van de wachttijd geen ernstige psychische beperkingen aanwezig waren en hij onderschreef de FML. Bij het arbeidskundig onderzoek corrigeerde de bezwaararbeidsdeskundige in een rapport van 12 oktober 2009 het maatmaninkomen voor de datum 16 maart 2008 en stelde hij op basis van een gewijzigde functieduiding vast dat er geen loonverlies was. Hierna verklaarde het Uwv het tegen het besluit van 12 juni 2009 gemaakte bezwaar bij besluit van 14 oktober 2009 ongegrond.


4.1. In de beroepsprocedure legde appellant een - in opdracht van de gemeente Den Haag opgesteld - integraal medisch arbeidskundig advies van 9 oktober 2009 over, waarin is geconcludeerd dat appellant op dat moment arbeidsongeschikt was en dat er sprake was van toenemende psychische klachten waarvoor eind oktober 2009 een nieuw behandelingstraject bij PsyQ zou worden ingezet. Volgens de bezwaarverzekeringsarts in diens reactie op 11 februari 2010 zag dit rapport niet op de datum in geding en gaf het dan ook geen inzichtelijke onderbouwing voor de belastbaarheid van appellant in de periode tussen het verkeersongeval en 16 maart 2008. In deze reactie en in een reactie van 15 juli 2010 ging deze arts voorts in op een overgelegde brief van PsyQ van 29 augustus 2008, waarin als aanmeldingsdatum 28 juli 2008 werd vermeld, en op informatie van PsyQ van 8 december 2009 over de periode van 28 juli 2008 tot 16 november 2009. Volgens de bezwaarverzekeringsarts bevestigde deze informatie de conclusie van de verzekeringsarts ten aanzien van de datum in geding en zag hij geen aanleiding voor het aannemen van cognitieve beperkingen. Ten slotte stelde de bezwaarverzekeringsarts in een reactie van 25 augustus 2010 op een door appellant overgelegde rapportage van de adviserend geneeskundige van de GGD Den Haag van 30 januari 2008, waarin de conclusie dat appellant tijdelijk arbeidsongeschikt was, vast dat daarin een medische duiding, concrete medische onderzoeksbevindingen en een beschrijving van een toets op consistentie en plausibiliteit ontbraken.


4.2.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 14 oktober 2009 (bestreden besluit) ongegrond.


4.2.2. De rechtbank definieerde het geschil als te zien op de vraag of appellant op 16 maart 2008, de datum van indiening van de aanvraag, en op 16 maart 2009, de datum na afloop van een tijdvak van 52 weken, arbeidsongeschikt onderscheidenlijk nog steeds arbeidsongeschikt was.


4.2.3. De rechtbank zag na weging van de beschikbare (medische) gegevens geen aanleiding tot twijfel aan de beoordeling van de verzekeringsartsen en onderschreef voorts de medische geschiktheid van de uiteindelijk door de bezwaararbeidsdeskundige aan de schatting ten grondslag gelegde functies.


5. In hoger beroep heeft appellant de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Het komt er op neer dat volgens appellant zijn belastbaarheid is onderschat en dat voorts de bezwaararbeidsdeskundige over de overschrijding van de normaalwaarden overleg had dienen te plegen met de bezwaarverzekeringsarts.


6.1. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat het Uwv desgevraagd op 30 mei 2012 heeft geantwoord dat de primaire weigeringsgrond voor de Wajong-uitkering, te weten het niet volgemaakt hebben van de wachttijd vanaf 28 februari 2006, niet langer wordt gehandhaafd en dat volgens het Uwv de weigering alleen berust op de (subsidiaire) beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellant op 16 maart 2008. Gelet op de motivering van het hoger beroep gaat ook appellant van dit laatste uit. Anders dan de rechtbank oordeelde, is derhalve tussen partijen alleen deze datum in geschil. Voorts ziet de Raad, mede gelet op bijvoorbeeld zijn ook door het Uwv vermelde uitspraak van 23 juli 2010 (LJN BN3272), geen aanleiding de door partijen bedoelde beoordelingsdatum voor onjuist te houden. Mede gelet hierop stelt de Raad vast dat dit geschil dient te worden beoordeeld aan de hand van de Wajong, zoals die luidde op 16 maart 2008.


6.2.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien voor een ander oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit dan het - uitvoerig gemotiveerde - oordeel van de rechtbank daarover, voor zover dat ziet op de in dit geding aan te houden beoordelingsdatum. Ook de Raad heeft in alle informatie van PsyQ geen aanknopingspunten gezien voor de conclusie dat op die datum ernstiger psychische beperkingen hadden moeten worden aangenomen dan door de verzekeringsartsen in de FML zijn vastgelegd. De Raad wijst erop dat appellant zich eerst eind juli 2008 heeft gemeld met psychische klachten en dat die melding en ook de informatie betreffende latere data geen gegevens bevatten die mede tot de datum in geding zijn te herleiden. In dit verband kan er ook niet aan worden voorbijgezien dat in het in 4.1 vermelde en ongeveer 6 weken voor de datum in geding opgemaakte advies van de GGD Den Haag geen melding is gemaakt van door appellant ervaren psychische klachten en dat uit dit advies ook niet kan worden afgeleid dat dit mede ziet op een weging door de betreffende arts van de psychische staat van appellant. Gelet hierop oordeelt de Raad dat de psychische beperkingen op de datum in geding vanwege het Uwv niet zijn onderschat.


6.2.2. De Raad heeft voorts geen aanleiding gezien de vaststelling van de fysieke beperkingen door de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. De Raad wijst erop dat het lichamelijk onderzoek van de verzekeringsarts blijkens zijn rapport mede betrekking had op de aan de GGD-arts op 30 januari 2008 gepresenteerde lichamelijke klachten. In de overwegingen 6.1.2 en 6.2.2 ligt tevens besloten dat de Raad geen reden ziet om, zoals namens appellant in hoger beroep is verzocht, een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek.


6.4. De Raad heeft ten slotte geen redenen gezien de motivering door de bezwaararbeidsdeskundige van de medische geschiktheid van de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor onjuist te houden. Anders dan namens appellant is betoogd ziet de Raad niet in dat het onzorgvuldig is dat de bezwaararbeidsdeskundige geen overleg met de bezwaarverzekeringsarts heeft gepleegd over overschrijding van de normaalwaarden in die functies terwijl appellant beperkt is voor zware lichamelijk belasting. Van de zijde van het Uwv is in het verweerschrift niet ten onrechte erop gewezen dat appellant alleen beperkt is geacht voor de zwaarste lichamelijke inspanning en dat de bezwaararbeidsdeskundige inzichtelijk aangaf op welke wijze die normaalwaarden ten aanzien van overigens enkele items in de FML slechts in geringe mate werden overschreden.


6.5. De overwegingen 6.1 tot en met 6.4 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2012.


(getekend) C.W.J. Schoor.


(getekend) M.R. Schuurman


CVG