Centrale Raad van Beroep, 10-10-2012 / 11-3291 WW


ECLI:NL:CRVB:2012:BX9902

Inhoudsindicatie
Onjuiste verwijzing in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder 1, van de WW, kennelijke misslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-10-10
Publicatiedatum
2012-10-11
Zaaknummer
11-3291 WW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2012/325 met annotatie van Red.
Uitspraak

11/3291 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer



Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 april 2011, 10/3503 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B.]


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


Datum uitspraak 10 oktober 2012.


PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2012. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.


OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is met ingang van 1 mei 2009 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).


1.2. Met betrekking tot zijn re-integratie heeft appellant afspraken gemaakt met zijn werkcoach. Deze afspraken zijn vastgelegd in een werkplan. Hierin is onder meer opgenomen dat de werkcoach appellant zou aanmelden bij een extern bureau en dat appellant met ondersteuning van dit bureau op zoek zou gaan naar een passende baan. Appellant en een adviseur van Randstad Rentree (adviseur) hebben vervolgens op 4 maart 2010 een plan van aanpak vastgesteld. Hierin is onder meer vastgelegd dat appellant zal deelnemen aan de trainingsmodules sollicitatietraining en dat hij aanwezig zal zijn bij alle door Randstad HR Solutions georganiseerde activiteiten in het kader van het re-integratietraject. Bij brief van

31 maart 2010 is appellant uitgenodigd om deel te nemen aan drie trainingen op 12, 19 en 26 april 2010, van 14 tot 17 uur. Appellant is niet verschenen op deze trainingen.


1.3. Bij besluit van 10 mei 2010 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant geschorst, omdat aan de werkcoach is doorgegeven dat appellant vervolgafspraken niet nakomt en voortijdig is gestopt met de re-integratie-activiteiten.


1.4. Bij besluit van 3 juni 2010 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant bij wijze van maatregel met ingang van 26 april 2010 verlaagd met 25% gedurende vier maanden, omdat hij het re-integratietraject eenzijdig heeft gestaakt.


1.5. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de in 1.3 en 1.4 genoemde besluiten. Bij besluit van 17 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen de schorsing ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aanleiding gezien de opgelegde maatregel te matigen tot 15% gedurende vier maanden.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen de schorsing van de WW-uitkering niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de betaling van de WW-uitkering is hervat en dat ook overigens niet van enig procesbelang is gebleken, zodat appellant geen belang meer heeft bij zijn beroep tegen de schorsing van de WW-uitkering. Het beroep tegen de verlaging van de WW-uitkering heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Appellant is volgens de rechtbank over de sollicitatietraining niet tijdig in overleg getreden met zijn contactpersoon bij het Uwv Werkbedrijf. Tevens heeft hij - zonder overleg - zelf besloten de training niet te volgen. Appellant heeft daarmee bewust het risico genomen dat het Uwv Werkbedrijf niet zou instemmen met zijn besluit om de sollicitatietraining niet te volgen en deelname aan die training, anders dan appellant, wel zinvol zou achten. Appellant is, aldus de rechtbank, zijn re-integratieverplichting niet nagekomen. Daarbij heeft het Uwv kunnen betrekken dat appellant ook op 19 april 2010 niet is verschenen, aangezien hij op dat moment op de hoogte was van het standpunt van de adviseur. Het Uwv heeft bovendien aannemelijk kunnen achten dat het plan van aanpak met appellant is besproken en dat hij kennis heeft genomen van hetgeen in het plan van aanpak staat.


3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.


3.1. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat slechts sprake is van voldoende procesbelang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Van de bestuursrechter kan in een geval waarin de uitkomst van het (hoger) beroep niet in concreto tot een voor de betrokkene gunstiger resultaat kan leiden, geen uitspraak worden gevraagd uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan (CRvB 10 maart 2010, LJN BL9057).


3.2. De rechtbank heeft over het beroep tegen het bestreden besluit over de schorsing geoordeeld dat de uitbetaling van de WW-uitkering aan appellant inmiddels is hervat en dat overigens niet van enig procesbelang is gebleken. Appellant heeft in hoger beroep slechts herhaald dat geen schorsing zou zijn gevolgd en dat de opgelegde maatregel dus ook niet nodig zou zijn geweest, als hij voor het besluit van 10 mei 2010 was gehoord door zijn werkcoach. Deze stelling kan - ook indien deze juist zou zijn - niet leiden tot een gunstiger resultaat dan door het Uwv is bewerkstelligd met de opheffing van de schorsing en de hervatting van de betaling van de WW-uitkering van appellant met ingang van de dag waarop de schorsing was ingegaan. De stelling gaat bovendien uit van de fictieve situatie dat appellant voor de schorsing wel zou zijn gehoord en veronderstelt ten onrechte dat er een verband zou zijn tussen de beoordeling van het tijdelijk niet betalen van de uitkering in afwachting van nadere informatie en de beoordeling van de maatregel. Of het besluit over de opgelegde maatregel al dan niet in rechte stand kan houden moet evenwel, en zal daarom hierna, afzonderlijk worden beoordeeld. Appellant heeft desgevraagd ter zitting zijn belang bij zijn beroep tegen het bestreden besluit over de schorsing overigens niet kunnen verduidelijken. De niet-ontvankelijkverklaring van dit beroep zal dan ook in stand worden gelaten.


3.3. De voor de onderhavige zaak relevante verplichting van de werknemer - het voldoen aan verplichtingen opgenomen in het re-integratieplan - is en was ook al ten tijde van de appellant verweten gedraging neergelegd in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW. De op het niet of niet behoorlijk nakomen van die verplichting gestelde maatregel is opgenomen in artikel 27, derde lid, van de WW en het op 1 mei 2008 in werking getreden Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten (Stb. 2007, 304, hierna: Maatregelenbesluit).

Artikel 30a, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI), zoals deze bepaling tot 1 januari 2009 luidde, droeg het Uwv op door een re-integratiebedrijf een plan gericht op behoud en verkrijging van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid en inschakeling in arbeid op te laten stellen indien de in het eerste lid van dat artikel bedoelde re-integratievisie daartoe aanleiding geeft. Bij gelegenheid van de wijziging van dat artikel per 1 januari 2009 is de tekst van het derde lid vernummerd naar het zesde lid van het artikel maar is verzuimd de verwijzing in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW naar dit vernummerde artikellid in de Wet SUWI aan te passen. Deze verwijzing werd daarmee, omdat artikel 30a, derde lid, van de Wet SUWI vanaf dat moment geen nadere invulling van het begrip re-integratieplan meer bevatte en de bepaling die daarop wel betrekking had was vernummerd, onjuist.


3.4. De misslag is per 1 juli 2012 door een verwijzing naar het juiste artikellid in de Wet SUWI gecorrigeerd (artikel V, onderdeel B, van de Wet van 12 mei 2012, Stb. 2012, 224) samen met een wijziging van artikel 26, eerste lid, onderdeel k, van de WW. Die wijzigingen zijn in de toelichting bij de wijzigingen als volgt uitgelegd: “Er is sprake van twee technische wijzigingen. (…) De verplichtingen om mee te werken aan het opstellen van en te voldoen aan de verplichtingen opgenomen in de re-integratievisie en in het re-integratieplan worden gehandhaafd voor lopende gevallen en voor de zieke werknemer als bedoeld in artikel 20, zesde lid, onderdeel a, van de WW (…).”.


3.5. In aanmerking genomen dat de onjuiste verwijzing in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW naar artikel 30a, derde lid, van de Wet SUWI beperkt is gebleven tot de periode van 1 januari 2009 tot 1 juli 2012 en de wetsgeschiedenis geen enkele aanwijzing bevat waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest in die periode een inhoudelijke wijziging ten aanzien van de in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW neergelegde verplichting aan te brengen, moet de conclusie zijn dat ten gevolge van een onachtzaamheid bij de hiervoor vermelde vernummering de in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW opgenomen verwijzing naar artikel 30a, derde lid, van de Wet SUWI niet is vervangen door een verwijzing naar artikel 30a, zesde lid, van de Wet SUWI. Deze vergissing is onopgemerkt gebleven en bij voormelde wet gerepareerd. Artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW moet daarom wat betreft de periode van 1 januari 2009 tot 1 juli 2012 worden gelezen met verbetering van deze kennelijke misslag.


3.6. Appellant heeft naar voren gebracht dat hij geen afschrift van het re-integratieplan heeft ontvangen en dat het re-integratieplan ook niet met hem is besproken. Hij zou het re-integratieplan ongezien hebben getekend in de veronderstelling dat dit een intakeformulier betrof. Ook met een vluchtige blik op het document had appellant echter duidelijk kunnen zijn dat het hier om een ander formulier dan een intakeformulier ging. Net boven de plaats waar appellant zijn handtekening heeft gezet staat de passage “De werkzoekende verklaart akkoord te gaan met de inhoud en opzet van het voorgestelde loopbaanplan. De werkzoekende zal zich inspannen om samen met de adviseur van Randstand HR Solutions het traject succesvol af te ronden, met als doel een betaalde baan”. De stelling van appellant dat het gesprek met de adviseur heel kort heeft geduurd en het re-integratieplan niet met hem is besproken, is niet in overeenstemming met de e-mail van appellant van 10 maart 2010 aan zijn werkcoach, waarin appellant heeft gesteld dat hij met de adviseur concrete stappen om weer zo snel mogelijk aan de slag te gaan heeft besproken. Appellant mag dan ook, ondanks het feit dat hem ten onrechte niet onmiddellijk een kopie van het re-integratieplan is verstrekt, bekend worden verondersteld met de inhoud daarvan.


3.7. Appellant was op grond van het re-integratieplan gehouden deel te nemen aan de trainingsmodules sollicitatietraining, waarvoor hij bij brief van 31 maart 2010 door Randstad HR Solutions was uitgenodigd. Appellant heeft vervolgens op 1 april 2010 getracht telefonisch contact op te nemen met de adviseur, omdat deelname aan deze training hem zonde van geld en tijd leek, aangezien hij al een dergelijke training had gedaan. Hierop is op de ochtend van de eerste training, 12 april 2010, door de adviseur per e-mail gereageerd. In die e-mail is neergelegd dat besloten is dat appellant gewoon dient mee te lopen in de training. Appellant, die pas op 14 april 2010 kennis zou hebben genomen van deze e-mail, is ook op de tweede en derde trainingsdag, 19 onderscheidenlijk 26 april 2010, niet verschenen. Wel heeft hij naar aanleiding van de e-mail van de adviseur uitleg van de ‘cryptische inhoud’ ervan gevraagd. Op dit verzoek van 19 april 2010 heeft de adviseur niet gereageerd. De bij appellant gerezen vragen over de inhoud van de e-mail van 12 april 2010 doen er echter niet aan af dat het hem duidelijk moet zijn geweest dat hij op de training had dienen te verschijnen. Uit zijn bezwaarschrift blijkt dat appellant uit de e-mail van de adviseur van 12 april 2010 ook heeft afgeleid dat hem is opgedragen aan de sollicitatietraining deel te nemen. Het enkele feit dat appellant overleg wilde om het nut van de sollicitatietraining te bespreken, ontsloeg hem niet van de verplichting tot deelname. Appellant heeft zich met het ondertekenen van het re-integratieplan verplicht aan de sollicitatietraining deel te nemen. Zolang de adviseur appellant geen toestemming had verleend om af te zien van deelname aan de sollicitatietraining was appellant dus gehouden deze training te volgen. Uit het feit dat de adviseur niet direct contact met hem heeft opgenomen om zijn verzoek te bespreken, heeft appellant evenmin kunnen afleiden dat hij niet langer gehouden zou zijn om de training te volgen. Door desondanks niet op de genoemde trainingsdagen te verschijnen, heeft appellant de in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW opgenomen verplichting geschonden.


3.8. Uit 3.6 en 3.7 volgt dat het Uwv de WW-uitkering van appellant terecht heeft verlaagd. De hoogte en de duur van de opgelegde maatregel is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder c, van het Maatregelenbesluit en artikel 7, eerste lid, van de Beleidsregel Maatregelen UWV, zoals weergegeven in de aangevallen uitspraak. Voor een verdergaande verlaging van de opgelegde maatregel dan waartoe het Uwv heeft besloten bestaat geen aanleiding.


3.9. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


4. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2012.


(getekend) G.A.J. van den Hurk


(getekend) E. Heemsbergen



TM