Centrale Raad van Beroep, 18-10-2012 / 11-3183 AW


ECLI:NL:CRVB:2012:BY0584

Inhoudsindicatie
Wijziging rang, na aanstelling in nieuwe functie. Geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De omstandigheden waaronder P, H en T in afwijking van het Besluit rangen politie hun rang hebben behouden zijn niet gelijk aan die van appellant. Zij zijn immers teruggeplaatst naar de functie Allround Politiemedewerker, omdat de Klpd een andere invulling aan hun oorspronkelijke functie wilde geven, terwijl de oorspronkelijke functie van appellant dezelfde bleef en hij in het kader van zijn re-integratie de functie van Allround Politiemedewerker heeft aanvaard. Daar komt nog bij dat P, H en T aanmerkelijk langer dan appellant de rang van brigadier hadden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-10-18
Publicatiedatum
2012-10-19
Zaaknummer
11-3183 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/3183 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 april 2011, 10/643 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B.] (appellant)


de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, thans de minister van Veiligheid en Justitie (minister)


Datum uitspraak: 18 oktober 2012


PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2012. Appellant is in persoon verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Timmer-van Dishoeck.


OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (als beheerder van het Klpd), is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Minister van Veiligheid en Justitie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.


2.1. Appellant, sinds 1983 werkzaam bij de politie, was vanaf 2003 werkzaam bij de Dienst Operationele Ondersteuning en Coördinatie (DOC) in de functie van Operationeel Chef, schaal 8, in de rang van brigadier. Wegens ziekte heeft hij deze functie vanaf 30 juni 2005 niet meer uitgeoefend. In het kader van zijn re-integratie heeft appellant van 23 oktober 2007 tot 23 oktober 2008 gewerkt als Allround Politiemedewerker bij de Dienst Waterpolitie (DWP), unit [C.]. Daarbij heeft appellant, hoewel deze functie is gewaardeerd op schaal 7, schaal 8 behouden, en is afgesproken dat hij de bij de functie behorende rangonderscheidingstekens van hoofdagent zou dragen. In afwachting van structurele plaatsing bij de DWP heeft appellant vanaf 23 oktober 2008 gewerkt bij de unit [D.].


2.2. Bij besluit van 4 maart 2009 heeft de minister appellant met ingang van 21 februari 2009 aangesteld in de functie van Allround Politiemedewerker bij de DWP, unit [E.], en hem ontheven uit de functie van Operationeel Chef bij de DOC. De minister heeft hierbij ook besloten dat appellant zijn huidige schaal 8 behoudt en dat zijn rang die van hoofdagent wordt.


2.3. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt voor zover hem daarbij de rang van brigadier is ontnomen.


2.4. Bij besluit van 14 januari 2010 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


4. Appellant heeft ook in hoger beroep een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar de situatie van zijn collega’s P, H en T. Zij waren werkzaam in de functie van Senior Politiemedewerker bij de DWP, schaal 8, met de rang van brigadier. Omdat zij niet (meer) aan de functie-eisen konden of wilden voldoen is hun functie gewijzigd in die van Allround Politiemedewerker. Bij wijze van uitzondering hebben zij hun rang van brigadier behouden. Appellant meent dat de minister ook voor hem deze uitzondering had dienen te maken. Als Operationeel Chef is hij overbelast geraakt en kon ook hij niet (meer) aan de eisen van zijn functie voldoen.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat uit artikel 2, eerste lid, van het Besluit rangen politie volgt dat er geen direct verband is tussen de salarisschaal waarin een individuele ambtenaar is ingedeeld en de rang die hij krijgt, maar dat er slechts een direct verband bestaat tussen de rang en de functie die de ambtenaar verricht. Aan de functie Allround Politiemedewerker, schaal 7, is de rang van hoofdagent verbonden. Aan de functie Senior Politiemedewerker, schaal 8, is de rang van brigadier verbonden.


5.2. P, H en T waren werkzaam als Senior Politiemedewerker. In verband met veranderingen binnen het Korps landelijke politiediensten (Klpd), waardoor andere eisen gesteld worden aan leiderschap, diende meer inhoud te worden gegeven aan deze functie. Omdat mogelijk niet iedereen deze nieuwe rol zou kunnen of willen oppakken, heeft de minister in 2009 aan P, H, T en enkele anderen het aanbod gedaan om met behoud van schaal en rang te worden teruggeplaatst in de functie van Allround Politiemedewerker. P, H en T hebben van dit aanbod gebruik gemaakt.


5.3. De omstandigheden waaronder P, H en T in afwijking van het Besluit rangen politie hun rang hebben behouden zijn niet gelijk aan die van appellant. Zij zijn immers teruggeplaatst naar de functie Allround Politiemedewerker, omdat de Klpd een andere invulling aan hun oorspronkelijke functie wilde geven, terwijl de oorspronkelijke functie van appellant dezelfde bleef en hij in het kader van zijn re-integratie de functie van Allround Politiemedewerker heeft aanvaard. Daar komt nog bij dat P, H en T aanmerkelijk langer dan appellant de rang van brigadier hadden.


5.4. Ook het feit dat ten onrechte geen rechtspositiegesprek met appellant is gehouden kan niet leiden tot het oordeel dat de minister had moeten besluiten om ook appellant bij wijze van uitzondering zijn rang van brigadier te laten behouden.


5.5. Nu van ongelijke behandeling van gelijke gevallen niet is gebleken, treft het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel geen doel. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2012.



(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans



(getekend) R. Scheffer