Centrale Raad van Beroep, 23-10-2012 / 10-5081 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BY0888

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Het bestaan van drie bankrekeningen op appellants naam, waaronder twee “en/of”-rekeningen heeft appellant niet opgegeven aan het college. Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is niet anders bij een zogeheten “en/of”-rekening, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het tegendeel het geval is. Schending inlichtingenverplichting. Geen dringende redenen om van intrekking en terugvordering af te zien.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-10-23
Publicatiedatum
2012-10-24
Zaaknummer
10-5081 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/5081 WWB


Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 29 juli 2010, 09/2872 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[Appellant] te [woonplaats] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)


Datum uitspraak: 23 oktober 2012


PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2012. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van den Heuvel.


OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant ontving sinds 8 juli 1998 met onderbrekingen bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2. Nadat bij een themacontrole gebleken was dat appellant veel kentekens op zijn naam had staan, is de Sociale Recherche Noord-Holland Noord een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Uit dat onderzoek, voor zover hier van belang, is naar voren gekomen dat appellant drie bankrekeningen op zijn naam heeft staan, waaronder twee “en/of”-rekeningen die hij niet aan het college heeft opgegeven.


1.3. De onderzoeksresultaten, die zijn neergelegd in een proces-verbaal van 16 september 2008, zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 9 februari 2009 de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2003 tot en met 15 januari 2008 en van 28 februari 2008 tot en met 31 maart 2008 in te trekken en de over die perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 58.709,08 van appellant terug te vorderen.


1.4. Bij besluit van 5 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 februari 2009 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat de bedragen, die op één van de twee “en/of”-rekeningen werden gestort, uitkeringsbedragen waren van mevrouw [J.] ([J.]) en dat appellant slechts als ‘doorgeefluik’ fungeerde. Onder die omstandigheden gaat het volgens hem te ver om de volledige bijstand in te trekken en terug te vorderen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, rechtvaardigt het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is niet anders bij een zogeheten “en/of”-rekening, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.


4.2. Appellant is hierin niet geslaagd. Hij heeft verklaard dat alleen hij een pasje van de rekeningen had, zodat appellant als enige feitelijk over de gestorte bedragen op de rekeningen kon beschikken. Dat appellant er naar eigen zeggen voor zorgde dat [J.], die volgens appellant verbleef in Servië, gelden van de rekeningen ontving, blijkt nergens uit. Daarnaast kan uit de rekeningafschriften worden afgeleid dat appellant deze rekeningen aanwendde voor de kosten van eigen levensonderhoud onder meer bij supermarkten en tankstations. Dat deze betalingen zijn verricht voor en in opdracht van [J.], zoals appellant stelt, heeft hij op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.


4.3. Nu de onder 4.2 bedoelde bedragen tot de middelen van appellant moeten worden gerekend, deze als inkomsten aan te merken middelen de voor appellant geldende bijstandsnorm te boven gingen en appellant de bankrekeningen in strijd met de wettelijke inlichtingenverplichting niet heeft gemeld aan het college, was het college bevoegd om de bijstand over de periode in geding met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken en tevens bevoegd op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. Appellant heeft weliswaar gesteld dat het veel te ver gaat om de volledige bijstand in te trekken en terug te vorderen, maar heeft dit verder niet onderbouwd. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat het college wegens dringende redenen geheel of gedeeltelijk van intrekking en terugvordering had moeten afzien.


4.4. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.J. Govaers en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2012.


(getekend) R.H.M. Roelofs


(getekend) N.M. van Gorkum


HD