Centrale Raad van Beroep, 23-10-2012 / 12-5137 AW-VV


ECLI:NL:CRVB:2012:BY1279

Inhoudsindicatie
De voorzieningenrechter stelt vast dat de aangevallen uitspraak voor verzoeker niet meer en niet minder inhoudt dan dat hij met inachtneming van de overwegingen van die uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen. De aangevallen uitspraak noopt (nog) niet tot het herstel van het dienstverband met betrokkene, nu het handhaven van het ontslag door de overwegingen van de rechtbank geenszins op voorhand is uitgesloten of vrijwel onmogelijk is gemaakt. Uit het voorgaande volgt dat niet voldaan is aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is en moet worden afgewezen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-10-23
Publicatiedatum
2012-10-26
Zaaknummer
12-5137 AW-VV
Procedure
Voorlopige voorziening



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/5137 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter


Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening


Partijen:


het college van burgemeester en wethouders van Delft (verzoeker)


[A. te B.] (betrokkene)


Datum uitspraak: 23 oktober 2012


PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 augustus 2012, 12/2703 (aangevallen uitspraak).


Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.


Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de voorzieningenrechter behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gelaten.


OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is sinds 1992 in dienst van de gemeente Delft, laatstelijk als teamleider bij [afdeling].


1.2. In 2010 is de gemeente Delft geconfronteerd met de noodzaak van ingrijpende bezuinigingen, hetgeen aanleiding is geweest de gemeentelijke organisatie kritisch tegen het licht te houden. Een en ander heeft onder andere zijn neerslag gekregen in het Plan van aanpak ‘Koers voor Delft’. Per 1 oktober 2011 is een reorganisatie doorgevoerd van de gemeentelijke organisatie. Betrokkene is per 19 januari 2011 arbeidsongeschikt geworden.


1.3. In een op 9 mei 2011 gehouden (her)plaatsingsgesprek heeft verzoeker betrokkene te kennen gegeven dat haar functie van teamleider in het kader van de reorganisatie zal komen te vervallen en dat het voornemen bestaat haar de status van herplaatsingskandidaat toe te kennen.


1.4. Bij brief van 6 september 2011 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in een door betrokkene verzocht deskundigenoordeel te kennen gegeven dat betrokkene op 1 juli 2011 ongeschikt wordt geacht voor het verrichten van het eigen werk.


1.5. Bij brief van 12 september 2011 heeft de herplaatsingscommissie betrokkene meegedeeld positief te zullen adviseren over het aan betrokkene vooralsnog niet aanbieden van een passende of geschikte functie binnen de nieuwe organisatie van de gemeente Delft.


1.6. Na daartoe een voornemen kenbaar te hebben gemaakt en betrokkene in de gelegenheid te hebben gesteld hierop te reageren, heeft verzoeker betrokkene bij besluit van 22 september 2011 met toepassing van artikel 8:3, eerste lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling / Uitvoeringsregeling rechtspositie / Nadere uitvoeringsregeling rechtspositie, zoals dat artikellid met ingang van 1 juli 2008 luidt, ontslagen wegens opheffing van haar betrekking. Met inachtneming van een re-integratiefase van 18 maanden is de ontslagdatum bepaald op 1 april 2013. In het besluit is aangegeven dat betrokkene nader zal worden geïnformeerd over de vaststelling van een re-integratieplan.


1.7. Bij besluit van 20 februari 2012 (bestreden besluit) heeft verzoeker het bezwaar tegen het besluit van 22 september 2011 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat verzoeker een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat verzoeker heeft nagelaten te onderzoeken wat voor betrokkene passende functies zouden zijn en aldus te snel en te voorbarig tot het ontslag van betrokkene is overgegaan. De vraag of er in de nieuwe organisatie van verzoeker een passende functie aanwezig is, kan immers pas worden beantwoord als duidelijk is aan welke voorwaarden een functie dient te voldoen om als passende functie voor betrokkene te gelden, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid geacht.


3. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en tevens de Raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van de werking van de aangevallen uitspraak. Verzoeker heeft daarbij naar voren gebracht dat uitvoering van de aangevallen uitspraak met zich brengt dat hij het ontslagbesluit moet intrekken. Volgens verzoeker is sprake van een evidente misslag van de rechtbank. Gelet hierop kan van hem niet worden gevergd om het ontslagbesluit in te trekken. Verzoeker heeft er in dit verband op gewezen dat de betrokken reorganisatie voortvloeit uit een vergaande bezuinigingstaakstelling. Intrekking van het ontslagbesluit zou een hernieuwde herplaatsingsperiode betekenen, met navenant hogere kosten voor verzoeker.


4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.


4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


4.2. Vooropgesteld wordt dat de enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar de mening van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven, op zichzelf niet een voldoende grondslag vormt voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. De wetgever heeft immers aan het instellen van hoger beroep in zaken als de onderhavige uitdrukkelijk geen schorsende werking willen toekennen en daarmee het risico van mogelijke problemen bij de naleving van een in hoger beroep aangevochten uitspraak bij het betrokken bestuursorgaan gelegd. Weliswaar zijn gevallen denkbaar waarin de bij de uitvoering van een uitspraak betrokken belangen dermate zwaarwegend zijn, dat aan de hand van een voorlopig oordeel omtrent de mate van waarschijnlijkheid dat die uitspraak in stand zal kunnen blijven wordt bezien of voor doorbreking van het door de wetgever gewenste stelsel in het concrete voorliggende geval aanleiding bestaat, maar daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval geen sprake.


4.3. De voorzieningenrechter stelt vast dat de aangevallen uitspraak voor verzoeker niet meer en niet minder inhoudt dan dat hij met inachtneming van de overwegingen van die uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen. De aangevallen uitspraak noopt (nog) niet tot het herstel van het dienstverband met betrokkene, nu het handhaven van het ontslag door de overwegingen van de rechtbank geenszins op voorhand is uitgesloten of vrijwel onmogelijk is gemaakt.


4.4. De door verzoeker aangevoerde redenen leveren niet een zwaarwegend (spoedeisend) belang op als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. De door verzoeker geschetste nadelen die verbonden zijn aan onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak gaan niet uit boven hetgeen in het algemeen, krachtens het wettelijk stelsel zoals onder 4.1 en 4.2 weergegeven, voor rekening van het betrokken bestuursorgaan dient te worden gelaten. Dat naleving van de aangevallen uitspraak leidt tot voor verzoekers organisatie onoverkomelijke (financiële) problemen of onverantwoorde risico’s acht de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt of gebleken. Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat gesteld noch gebleken is dat sprake is van een bijzonder verhaalsrisico bij betrokkene.


4.5. Uit het voorgaande volgt dat niet voldaan is aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is en moet worden afgewezen.


5. Van proceskosten die met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.


BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2012.


(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans



(getekend) P.W.J. Hospel