Centrale Raad van Beroep, 16-10-2012 / 11-1105 WWB + 11-1106 WWB + 11-1107 WWB + 11-1108 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BY1387

Inhoudsindicatie
Maatregelen. Appellant heeft niet voldoende geprobeerd werk te verkrijgen, voldoende feitelijke grondslag. Hetgeen appellant heeft aangevoerd vormt geen grond voor het oordeel dat de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden en mogelijkheden van appellant het college aanleiding hadden moeten geven een lichtere maatregel op te leggen of dat appellant door de verlaging onredelijk zwaar is getroffen. Niet kan worden gezegd dat de maatregel als onevenredig moet worden aangemerkt. Appellant heeft ook na eerdere maatregelen volhard in zijn gedrag en daarmee de mogelijke uitstroom naar betaalde arbeid belemmerd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-10-16
Publicatiedatum
2012-10-26
Zaaknummer
11-1105 WWB + 11-1106 WWB + 11-1107 WWB + 11-1108 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/1105 WWB, 11/1106 WWB, 11/1107 WWB, 11/1108 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 januari 2011, 10/2655, 10/2656, 10/2657, 10/2659 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B.] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)


Datum uitspraak: 16 oktober 2012


PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.C. van Etten, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2012. Namens appellant is mr. Van Etten verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.J. de Feijter.


OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant ontvangt vanaf 31 oktober 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij aanvang van de bijstand verrichtte appellant nog werkzaamheden in een tijdelijke parttimebaan voor 16 uur per week. Op 1 januari 2008 is dit dienstverband beëindigd. Over de periode van 1 januari 2008 tot 1 juli 2008 heeft appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangen, waarna de bijstand is hervat. Het college heeft appellant in april 2009 aangemeld bij het Arbeid Training Centrum, maar dit traject heeft geen doorgang gevonden. Vervolgens heeft het college appellant aangemeld voor het traject Intensief Naar Uitstroom (INU). In dat kader worden met hem vanaf 24 juni 2009 gesprekken gevoerd. Vanaf 7 augustus 2009 roept het re-integratiebedrijf A&E kwadraat

(Re-integratiebedrijf) appellant wekelijks op en voert met hem een gesprek.


1.2. Bij besluit van 29 september 2009 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2009 verlaagd met 20% voor de duur van twee maanden.


1.3. Bij besluit van 13 oktober 2009 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2009 verlaagd met 40% voor de duur van een maand.


1.4. Bij besluit van 10 december 2009 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2009 verlaagd met 40% voor de duur van twee maanden.


1.5. Bij besluit van 15 februari 2010 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2010 verlaagd met 40% voor de duur van een maand.


1.6. Bij vier besluiten van 8 juni 2010 (bestreden besluiten) heeft het college de door appellant tegen elk besluit afzonderlijk gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de eerste twee maatregelen ongegrond verklaard, de beroepen tegen de derde en vierde maatregel gegrond verklaard en de besluiten waarbij deze maatregelen zijn gehandhaafd vernietigd. Voorts heeft de rechtbank de bezwaren tegen de besluiten van 10 december 2009 en van 15 februari 2010 alsnog gegrond verklaard, deze besluiten herroepen en bepaald dat een maatregel wordt opgelegd inhoudende een verlaging van de bijstand met ingang van 1 december 2009 van 20% voor de duur van twee maanden en een maatregel inhoudende een verlaging van de bijstand met ingang van 1 februari 2010 van 30% voor de duur van een maand en met ingang van 1 maart 2010 van 10% voor de duur van een maand.


3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. De Raad verwijst voor de hier van toepassing zijnde bepalingen van de WWB en de Maatregelverordening Gemeente Arnhem (Maatregelverordening) naar de aangevallen uitspraak. Tot deze bepalingen behoort artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a van de WWB, op grond waarvan - voor zover van belang - de belanghebbende verplicht is naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV).


4.2. Appellant was ten tijde hier van belang niet van de onder 4.1 genoemde verplichting ontheven.


4.3. Aan de bestreden besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de verplichting van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB niet is nagekomen, zodat het college gehouden was, gelet op artikel 18, tweede lid, van de WWB, de bijstand te verlagen met inachtneming van de door de rechtbank aangehaalde artikelen van de Maatregelverordening.


4.4. Uit de rapportage van 29 juli 2009 blijkt dat appellant in een aantal gesprekken erop is gewezen dat de onder 4.1 bedoelde verplichting inhoudt dat voor hem de sollicitatieplicht geldt, dat hij zich bij zijn sollicitatieactiviteiten breed dient op te stellen en dat hij niet kan volstaan met een inschrijving bij een uitzendbureau. Van hem wordt een actieve houding verwacht en hij zal ook na inschrijving persoonlijk bij de uitzendbureaus langs moeten gaan. Verder dient hij zorg te dragen voor een inschrijvingsbewijs bij het UWV. Gelet hierop is aan appellant kenbaar gemaakt dat van hem een brede opstelling en een actieve houding ten aanzien van het verkrijgen van arbeid in loondienst, waaronder begrepen het aanvaarden van tijdelijke werkzaamheden via uitzendbureaus, werd verlangd.


4.5. Uit de rapportage van 24 september 2009, die ten grondslag ligt aan het opleggen van de eerste maatregel, blijkt dat het re-integratiebedrijf op 7, 21 en 28 augustus 2009 gesprekken met appellant heeft gevoerd. Appellant is niet bij uitzendbureaus langs gegaan en heeft in de wekelijkse gesprekken iedere keer maar één sollicitatiebrief overgelegd waarbij hij niet voldeed aan de eisen zoals vermeld in de vacature, zodat deze sollicitaties niet als een reële sollicitatie kunnen worden aangemerkt.


4.6. Uit de rapportage van 12 oktober 2009, die ten grondslag ligt aan het opleggen van de tweede maatregel, blijkt dat het re-integratiebedrijf op 4, 18 en 25 september 2009 en op 2 oktober 2009 gesprekken met appellant heeft gevoerd. Appellant is niet bij uitzendbureaus langs gegaan en is al meer dan twee maanden niet bij het UWV werkbedrijf geweest, waar hij vacatures zou kunnen raadplegen om daarop te reageren.


4.7. Uit de rapportage van 9 december 2009, die ten grondslag ligt aan het opleggen van de derde maatregel, blijkt dat het re-integratiebedrijf op 9, 16, 23 en 30 oktober 2009 gesprekken met appellant heeft gevoerd. Appellant is ook nu niet bij uitzendbureaus langs gegaan en inmiddels al meer dan drie maanden niet bij het UWV werkbedrijf langs geweest.


4.8. Uit de rapportage van 8 februari 2010, die ten grondslag ligt aan het opleggen van de vierde maatregel, blijkt dat het re-integratiebedrijf op 6 november en 11 december 2009 en op 15 januari 2010 gesprekken met appellant heeft gevoerd. Appellant heeft geen contacten met uitzendbureaus en belt niet terug naar het UWV werkbedrijf. Ook nu had appellant gesolliciteerd naar vacatures waar hij niet voor gekwalificeerd is.


4.9. Voorts heeft appellant in de gesprekken in alle perioden hier van belang gesteld dat hij zich niet in staat acht deel te nemen aan de arbeidsmarkt. Uit de rapportages en de gespreksverslagen komt naar voren dat appellant in houding en gedrag niet blijk heeft gegeven zich breed op de arbeidsmarkt te oriënteren en zich actief op te stellen ten aanzien van het verkrijgen van arbeid in loondienst.


4.10. Gelet op 4.4 tot en met 4.9 heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet voldoende heeft geprobeerd werk te verkrijgen. Voor dit oordeel is voldoende feitelijke grondslag aanwezig in de rapportages.


4.11. Appellant stelt dat hem van deze gedragingen geen dan wel een verminderd verwijt kan worden gemaakt. Hij wenst een traject naar werk waarbij rekening wordt gehouden met zijn mogelijkheden en beperkingen. Hij wijst op de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat hij niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Bij de beoordeling van dit betoog is van belang dat uit het medisch belastbaarheidsonderzoek van Ausems en Kerkvliet, arbeidsmedisch adviseurs, van 2 april 2009 volgt dat appellant lichamelijke beperkingen ondervindt, zoals aangegeven in de functionele mogelijkhedenlijst, maar dat hij belastbaar is met arbeid. De rechtbank heeft op de door haar gebezigde motivering terecht geoordeeld dat het college bij zijn besluitvorming op deze rapportage mocht afgaan. Voor zover appellant doelt op het werk bij Werken voor de stad heeft het college mogen vasthouden aan de op appellant rustende verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, omdat de door appellant voorgestelde werkzaamheden als vrijwilligerswerk worden beschouwd en niet leiden tot reguliere arbeid. Appellant wordt immers tot reguliere arbeid in staat geacht. Tenslotte is nog van belang dat appellant bij herhaling is gewezen op zijn verplichting zich breed op de arbeidsmarkt op te stellen en op de consequenties die de weigering om daaraan gevolg te geven zullen hebben voor de bijstand. Daarom kan appellant van de gedragingen een verwijt worden gemaakt.


4.12. De aan appellant verweten gedragingen betreffen het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Deze gedragingen vallen onder de tweede categorie van artikel 6 van de Maatregelverordening. Hetgeen appellant heeft aangevoerd vormt geen grond voor het oordeel dat de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden en mogelijkheden van appellant het college aanleiding hadden moeten geven een lichtere maatregel op te leggen of dat appellant door de verlaging onredelijk zwaar is getroffen.


4.13. Ten aanzien van de vierde maatregel heeft de rechtbank, gelet op artikel 18, tweede lid, van de WWB in verbinding met artikel 2 van de Maatregelverordening, terecht geoordeeld dat het opleggen van een maatregel van 40% voor de duur van één maand - door de rechtbank in verband met het bepaalde in artikel 5 van de Maatregelverordening gewijzigd in 30% voor de duur van één maand met ingang van 1 februari 2010 en 10% voor de duur van één maand met ingang van 1 maart 20120 - in rechte standhoudt. Niet kan worden gezegd dat de maatregel als onevenredig moet worden aangemerkt. Appellant heeft ook na eerdere maatregelen volhard in zijn gedrag en daarmee de mogelijke uitstroom naar betaalde arbeid belemmerd. Ten slotte is van dringende redenen als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Maatregelverordening op grond waarvan het college had moeten afzien van de verlagingen, geen sprake.


4.14. Gezien 4.1 tot en met 4.13 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2012.


(getekend) J.F. Bandringa



(getekend) V.C. Hartkamp