Centrale Raad van Beroep, 30-10-2012 / 11-5 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BY1858

Inhoudsindicatie
Vaststelling ingangsdatum wettelijke rente. Met de vergoeding van de wettelijke rente wordt geacht alle schade, ontstaan door vertraging in de voldoening van een geldsom, te zijn voldaan. De wettelijke rente gaat niet eerder lopen dan vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin de beslistermijn voor de toekenning is verstreken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-10-30
Publicatiedatum
2012-11-01
Zaaknummer
11-5 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/5 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2010, 10/3928 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B.]


het college van burgemeester en wethouders van Huizen (college)


Datum uitspraak 30 oktober 2012.


PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2012. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Vlaanderen.


OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Bij beslissing op bezwaar van 23 december 2009 heeft het college aan appellant met ingang van 8 september 2006 periodieke bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) verleend.


1.2. Bij besluit van 16 februari 2010 is aan appellant schadevergoeding toegekend tot een bedrag van € 3.016,52. Dit bedrag is vastgesteld op de hoogte van de wettelijke rente over het bedrag aan bijstand dat als gevolg van het besluit van 23 december 2009 over de periode van 8 september 2006 tot en met 23 december 2009 te laat is uitbetaald. Als ingangsdatum van de wettelijke rente is het college uitgegaan van 1 november 2006.


1.3. Bij besluit van 9 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 februari 2010 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. De beroepsgrond van appellant dat het college ten onrechte heeft volstaan met vergoeding van de wettelijke rente en niet de werkelijk door hem als gevolg van de vertraagde uitbetaling van bijstand geleden schade, te weten de door appellant op grond van een doorlopend krediet aan de kredietinstelling verschuldigde debetrente van (gemiddeld) ruim 10%, slaagt niet.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad, dient in het kader van het bestuursrecht voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en in welke omvang, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht, waarbij in het bijzonder van belang is de rechtspraak van de burgerlijke rechter betreffende de gevolgen van onrechtmatige overheidsbesluiten (vergelijk de uitspraak van de Raad van 7 april 2009, LJN BI0588). Artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek normeert de omvang en de duur van de verplichting tot vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. In het eerste lid van dat artikel is bepaald dat schadevergoeding wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom bestaat uit de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest. Met de vergoeding van de wettelijke rente wordt geacht alle schade, ontstaan door vertraging in de voldoening van een geldsom, te zijn voldaan (vergelijk de hiervoor in 4.1 genoemde uitspraak). Naast de reeds toegekende wettelijke rente is in dit geval voor vergoeding van de door appellant bedoelde schade geen plaats.


4.2. Ook de beroepsgrond van appellant dat met de in 4.1 bedoelde fixatie van de schadevergoeding inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht, zoals gewaarborgd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, treft geen doel. In dit artikel is bepaald dat iedere natuurlijke of rechtspersoon het recht heeft op het ongestoorde genot van eigendom en dat aan niemand zijn eigendom zal worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en de algemene bepalingen van internationaal recht. Reeds omdat geen sprake is van eigendom in vorenbedoelde zin, komt de Raad niet toe aan beantwoording van de vraag of sprake is van ontneming van eigendom.


4.3. Ook faalt de beroepsgrond van appellant dat de ingangsdatum van de verschuldigdheid van de wettelijke rente niet op 1 november 2006, maar op een eerder tijdstip moet worden gesteld. Het gaat om een eerste toekenning van periodieke bijstand. Dan geldt dat de wettelijke rente niet eerder gaat lopen dan vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin de beslistermijn voor de toekenning is verstreken. In dit geval is de aanvraag van appellant ontvangen op 8 september 2006. De beslistermijn bedraagt op grond van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht acht weken. Toepassing van deze regels brengt mee dat de wettelijke rente dient in te gaan op 1 december 2006 (zie bijvoorbeeld CRvB 25 januari 2012, LJN BV1958 en CRvB 24 april 2012, LJN BW3807). Met vergoeding van de wettelijke rente met ingang van 1 november 2006 is appellant niet tekort gedaan.


4.4. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en M. Hillen en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2012.


(getekend) J.P.M. Zeijen


(getekend) N.M. van Gorkum


HD