Centrale Raad van Beroep, 23-10-2012 / 10/2077 WWB +10/2078 WWB + 10/2079 WWB + 12/2087 WWB + 12/2089 WWB + 12/2090 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BY2390

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Appellanten kunnen op de grond na de ontvangst van de erfenis zelf in de kosten van bestaan voorzien. Afwijzing verzoek om bijstand om te voorzien in de noodzakelijke kosten. Appellanten verkeerden niet in bijstandbehoevende omstandigheden. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-10-23
Publicatiedatum
2012-11-07
Zaaknummer
10/2077 WWB +10/2078 WWB + 10/2079 WWB + 12/2087 WWB + 12/2089 WWB + 12/2090 WWB
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2012/195
  • RSV 2013/25 met annotatie van H. van Deutekom
  • USZ 2012/354
Uitspraak

10/2077 WWB, 10/2078 WWB, 10/2079 WWB, 12/2087 WWB, 12/2089 WWB, 12/2090 WWB


Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2010, 09/294, 09/341 en 09/1753 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]


het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)


Datum uitspraak: 23 oktober 2012


PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. M.C.W. van der Voort, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Mr. E. van den Bogaard, advocaat, heeft zich gesteld als de opvolgend gemachtigde van appellanten.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2012. Van appellanten, daartoe ambtshalve opgeroepen, is alleen appellant verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bogaard. Het college, daartoe ambtshalve opgeroepen bij gemachtigde, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Tjen A Kwoei en mr. drs. A.C. van Helvoort.


OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant is gestart als zelfstandige; hij verkoopt via zijn webwinkel onderdelen voor elektronische muziekinstrumenten, waaronder synthesizers, drumcomputers en samplers. Bij besluit van 20 juli 2006 heeft het college aan appellanten op hun verzoek op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) bijstand voor de voorziening in bedrijfskapitaal toegekend ten bedrage van € 28.500,-- in de vorm van een rentedragende lening. Voorts heeft het college aan appellanten op grond van het Bbz 2004 met ingang van 1 juli 2006 bijstand voor de algemeen noodzakelijk kosten van het bestaan toegekend voor maximaal zes maanden in de vorm van een renteloze lening naar de voor appellanten geldende norm. Deze bijstandsverlening heeft het college nadien tweemaal gedurende zes maanden voortgezet.


1.2. Bij het verzoek om verdere voortzetting van de bijstandsverlening heeft appellant opgegeven dat zijn moeder is overleden en dat hij als enig erfgenaam een erfenis van ongeveer € 30.000,-- verwacht. Bij besluit van 27 februari 2008 heeft het college aan appellanten met ingang van 1 januari 2008 bijstand op grond van het Bbz 2004 voor maximaal zes maanden toegekend. In dit besluit is de volgende clausule opgenomen:


“Als gevolg van de erfenis van uw moeder beschikt u over voldoende middelen om zelf in de kosten van het bestaan te voorzien (artikel 48.2.a. WWB). In verband daarmee verstrekken wij de uitkering, in afwijking van de uitkering tot en met 31 december 2007, als geldlening die moet worden terugbetaald zodra de bedoelde erfenis aan u wordt uitbetaald.

Zodra u bericht heeft over de hoogte en de uitbetaling van de erfenis moet u ons daarover informeren. Afhankelijk van de hoogte van de erfenis zullen wij daarna een beslissing nemen over terugvordering en beëindiging van de uitkering”.


In het besluit van 11 augustus 2008, waarbij aan appellanten met ingang van 1 juli 2008 opnieuw bijstand voor maximaal zes maanden is toegekend, is dezelfde clausule opgenomen.


1.3. Op 1 augustus 2008 heeft appellant een bedrag van € 25.000,-- ontvangen als voorschot op zijn erfenis. Appellant heeft op 19 augustus 2008 een bedrag van € 20.478,-- overgemaakt op de bankrekening van het college en daarbij aangegeven dat deze betaling strekt tot aflossing van het restant van de rentedragende lening aan bedrijfskapitaal.


1.4. Bij besluit van 8 oktober 2008 heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 1 oktober 2008 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat zij na de ontvangst van de erfenis zelf in de kosten van bestaan kunnen voorzien. Daarbij is aangetekend dat van het bedrag dat appellant heeft overgemaakt als vervroegde en niet verplichte aflossing op het verstrekte bedrijfskapitaal zo nodig en desgevraagd € 6.368,60 zal worden gerestitueerd. Bij besluit van 16 januari 2009 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 oktober 2008 ongegrond verklaard.


1.5. Bij besluit van 9 oktober 2008 heeft het college de over de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 september 2008 verstrekte leenbijstand tot een bedrag van € 10.287,45 van appellanten teruggevorderd. Daarbij heeft het college bepaald dat het ontvangen bedrag van € 20.478,-- zal worden aangewend voor aflossing van deze vordering en de nog openstaande vordering over 2007. Daarbij is tevens bepaald dat het resterende bedrag van € 6.368,60 zal worden aangewend voor vervroegde aflossing van de rentedragende lening aan bedrijfskapitaal onder de restrictie dat laatstgenoemd bedrag zal worden gerestitueerd als appellanten in de periode van 1 oktober 2008 tot 1 juli 2009 over onvoldoende middelen beschikken om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en beroep doen op bijstand. Bij besluit van eveneens 16 januari 2009 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 oktober 2008 in zoverre gegrond verklaard dat de terugvordering is beperkt tot € 9.977,50, de kosten van bijstand die over de periode van 9 januari 2008, de dag waarop de moeder van appellant is overleden, tot en met 30 september 2008 is verleend. Aan deze terugvordering is artikel 46, aanhef en onder a, van het Bbz 2004 ten grondslag gelegd.


1.6. Op 23 december 2008 heeft appellant aan de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam kenbaar gemaakt dat hij en appellante over onvoldoende middelen beschikken om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Deze mededeling heeft het college aangemerkt als een aanvraag om algemene bijstand. Bij besluit van 24 december 2008 heeft het college afwijzend beslist op deze aanvraag op de grond dat, overeenkomstig het besluit van 8 oktober 2008, het bedrag van € 6.368,60 zo spoedig mogelijk zal worden gerestitueerd, zodat appellanten over voldoende middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. Bij besluit van 12 maart 2009 (bestreden besluit 3) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 24 december 2008 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 3 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat artikel 46 van het Bbz 2004 niet kan worden toegepast in het geval, zoals hier aan de orde, bijstand in de vorm van een geldlening is verstrekt, zodat het bestreden besluit 2 berust op een onjuiste wettelijke


grondslag. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellanten niet hebben voldaan aan de verplichting verbonden aan bijstandsverlening, neergelegd in de besluiten van 27 februari 2008 en 11 augustus 2008, om de als geldlening verstrekte bijstand terug te betalen zodra de erfenis wordt uitbetaald. Het college was daarom op grond van artikel 47 van het Bbz 2004 in verbinding met artikel 44 van het Bbz 2004 verplicht tot terugvordering over te gaan. De rechtbank is niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien.


3. Appellanten hebben zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 3 ongegrond heeft verklaard en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit 2 in stand heeft gelaten. Appellanten voeren – samengevat – aan dat het college ten onrechte heeft nagelaten hun vermogen opnieuw vast te stellen nadat de erfenis is ontstaan, waarbij de vermogensgrens als bedoeld in artikel 3 van het Bbz 2004 in acht genomen had moeten worden. Aangezien hun vermogen deze grens niet overschreed, was het vermogen geen beletsel om de als geldlening verstrekte Bbz-uitkering na afloop van het boekjaar om te zetten in bijstand om niet. Het enkele feit dat zij een erfenis hebben ontvangen is geen reden om de bijstand terug te vorderen en te beëindigen. Appellanten zijn van mening dat de in 1.2 genoemde clausule in de besluiten van 27 februari 2008 en 11 augustus 2008 niet van belang is, omdat de Bbz-uitkering voor levensonderhoud altijd in de vorm van een geldlening wordt verstrekt. Appellanten voeren tevens aan dat zij bij de betaling hebben meegedeeld dat het bedrag van € 20.478,-- moet worden toegerekend aan de aflossing van de rentedragende lening voor het bedrijfskapitaal en dat het college, gelet op het bepaalde in artikel 6:43, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), niet bevoegd was deze betaling op andere wijze aan te wenden. Om die reden hadden appellanten vanaf 23 december 2008 recht op algemene bijstand. Ten slotte hebben appellanten verzocht om vergoeding van geleden immateriële en materiële schade.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1. Ingevolge artikel 7 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (IWWB), voor zover hier van belang, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de verlening van bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte van bedrijfskapitaal op grond van de Wet werk en bijstand aan zelfstandigen, waarbij kan worden afgeweken van de artikelen 9, 10, 11, 32, 34, 40, 41, 45, 77 en de paragrafen 4.2, 6.1, 6.4 en 7.1 van die wet. Deze algemene maatregel van bestuur is het Bbz 2004, dat sedert 1 januari 2009 is gebaseerd op artikel 78f van de Wet werk en bijstand (WWB). Artikel 78f van de WWB, voor zover hier van belang, wijkt niet af van artikel 7 van de IWWB.


4.1.2. Artikel 3, eerste lid, van het Bbz 2004, zoals dat in 2008 luidde, bepaalt dat bijstand in de vorm van een bedrag om niet als bedoeld in de artikelen 12, 19, 21 en 22:

a. niet wordt verleend indien het eigen vermogen meer bedraagt dan € 167.147,--;

b. indien het eigen vermogen meer bedraagt dan € 39.774,--, doch minder dan € 167.147,-- slechts wordt verleend indien dit eigen vermogen niet meer bedraagt dan 30 procent van het totaal vermogen.


4.1.3. Ingevolge artikel 7 van het Bbz 2004 wordt niet als vermogen in aanmerking genomen het voor de uitoefening van het bedrijf of beroep noodzakelijke vermogen, waaronder mede


begrepen het vermogen verbonden in de door de zelfstandige of zijn gezin in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf.


4.1.4. Artikel 11, eerste lid, van het Bbz 2004 bepaalt dat algemene bijstand voorlopig de vorm heeft van een renteloze lening die in maandelijkse termijnen wordt uitbetaald.


4.1.5. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Bbz 2004 neemt het college een nadere beslissing met betrekking tot de verleende bijstand, bedoeld in artikel 11, eerste lid, nadat het college het netto inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep definitief heeft vastgesteld.


4.1.6. Artikel 44, eerste lid, van het Bbz 2004 bepaalt dat, in afwijking van hoofdstuk 6, paragraaf 6.4. van de wet, kosten van bijstand worden teruggevorderd in de gevallen en de regels aangegeven in artikel 12, tweede lid, onderdeel c, en de hoofdstukken V en VI. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.


4.1.7. Ingevolge artikel 46, aanhef en onder a, van het Bbz 2004 worden kosten van bijstand van de zelfstandige teruggevorderd voor zover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.4, van de wet beschikt of kan beschikken.


4.1.8. Ingevolge artikel 47 van het Bbz 2004, voor zover hier van belang, worden kosten van bijstand verleend in de vorm van een geldlening van de zelfstandige teruggevorderd, indien hij hieruit voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt.


4.1.9. Artikel 6:43, eerste lid, van het BW luidt: “Verricht een schuldenaar een betaling die zou kunnen worden toegerekend op twee of meer verbintenissen jegens een zelfde schuldeiser, dan geschiedt de toerekening op de verbintenis welke de schuldenaar bij de betaling aanwijst.”


4.1.10. Artikel 4:92, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt: “Indien een schuldenaar verschillende geldschulden heeft bij dezelfde schuldeiser, kan de schuldenaar bij de betaling de geldschuld aanwijzen waaraan de betaling moet worden toegerekend.”


De intrekking van bijstand met ingang van 1 oktober 2008


4.2.1. De rechterlijke beoordeling van deze intrekking van bijstand strekt zich uit over de periode van 1 oktober 2008 tot en met 8 oktober 2008, de datum van het primaire besluit.


4.2.2. In het Bbz 2004 is afgeweken van artikel 34 WWB in die zin dat het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB niet van toepassing is. Artikel 3 van het Bbz 2004 bepaalt uitsluitend of de algemene bijstand in de vorm van een renteloze geldlening na de definitieve vaststelling van het netto inkomen van de zelfstandige kan worden omgezet in bijstand om niet en bevat geen afzonderlijke regeling van vrij te laten vermogen voor zelfstandigen, zoals appellanten menen. Vermogen dat niet noodzakelijk is voor de uitoefening van het bedrijf of beroep, waaronder mede begrepen vermogen verbonden aan de zelf bewoonde eigen woning, behoort tot de middelen die de


zelfstandige dient aan te wenden om te voorzien in de kosten van bestaan en vormt als zodanig een beletsel voor bijstandsverlening. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het ontvangen voorschot van € 25.000,-- op de erfenis noodzakelijk was voor hun bedrijf. Van dit voorschot resteerde na de betaling aan het college van € 20.478,-- nog een bedrag van € 4.522,--. Nu appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij dit resterende bedrag hebben aangewend voor het bedrijf mag, gelet op de omvang van het bedrag en een periode van ruim twee maanden (van 1 augustus 2008 tot en met 8 oktober 2008), worden aangenomen dat appellanten in de beoordelingsperiode beschikten over voldoende middelen om in de kosten van levensonderhoud te voorzien. Derhalve verkeerden zij in die periode niet in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB.


4.2.3. Gelet op het bepaalde in artikel 7 van de IWWB ontleende het college aan artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB de bevoegdheid om de bijstand van appellanten met ingang van 1 oktober 2008 in te trekken. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.


De terugvordering en toerekening van de betaling


4.3.1. Aan de besluiten van 27 februari 2008 en 11 augustus 2008 is niet het rechtsgevolg verbonden dat op het moment van de betaling van erfenis voor het college een opeisbare vordering zou ontstaan ter hoogte van de kosten van bijstand die vanaf 9 januari 2008 zijn gemaakt. Op grond van deze besluiten waren appellanten verplicht het college te informeren over de hoogte en uitbetaling van de erfenis, waarna het college, afhankelijk van de hoogte van de erfenis, een beslissing zou nemen over terugvordering. Voor appellanten ontstond eerst de verplichting tot terugbetaling nadat het college een besluit tot terugvordering had genomen. Bij besluit van 9 oktober 2008 is het college overgegaan tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand. Derhalve kan het oordeel van de rechtbank dat appellanten een aan de bijstandsverlening verbonden verplichting als bedoeld in artikel 47 van het Bbz 2004 niet zijn nagekomen, niet worden onderschreven. De rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 2 kunnen dus niet in stand worden gelaten op de door de rechtbank daartoe gebezigde gronden. De Raad zal vervolgens beoordelen of de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde bestreden besluit 2 op andere gronden in stand kunnen blijven.


4.3.2. De Raad is, anders dan de rechtbank, met het college van oordeel dat de terugvordering van de kosten van bijstand, waaronder ook begrepen kosten van leenbijstand, kan worden gebaseerd op artikel 46, aanhef en onder a, van het Bbz 2004. Daartoe is van belang dat bijstand voor levensonderhoud aan zelfstandigen in eerste instantie altijd in de vorm van een lening wordt verstrekt. Eerst na afloop van het boekjaar wordt, afhankelijk van het in dat jaar behaalde bedrijfsresultaat, de aan een zelfstandige verleende leenbijstand geheel of gedeeltelijk omgezet in bijstand om niet. De vorm van de bijstand die aan zelfstandigen wordt verleend is wezenlijk anders dan de algemene bijstand op grond van de WWB die immers, behoudens zeer uitzonderlijke omstandigheden, altijd om niet wordt verstrekt. De omstandigheid dat artikel 47 van het Bbz 2004 een specifieke bepaling kent over terugvordering van kosten van bijstand, verleend in de vorm van een geldlening, in het geval van het niet of niet behoorlijk nakomen van uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen, kan aan de reikwijdte van artikel 46, aanhef en onder a, van het Bbz 2004 niet afdoen.


4.3.3. Als gevolg van de ontvangst op 1 augustus 2008 van het voorschot op de erfenis van € 25.000,-- beschikten appellanten over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.4 van de WWB die betrekking hebben op de periode vanaf 8 januari 2008. Derhalve was het college ingevolge artikel 46, aanhef en onder a, van het Bbz 2004 in verbinding met artikel 44 van het Bbz 2004 in beginsel verplicht de over de periode van 9 januari 2008 tot en met 30 september 2008 gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen. De omstandigheid dat appellanten met de aflossing van het resterende bedrag van de rentedragende lening hebben beoogd de financiële positie van hun bedrijf te verbeteren en daarmee de levensvatbaarheid en winstgevendheid van dit bedrijf te vergroten, kan niet worden aangemerkt als dringende reden op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.


4.4.1. In de besluiten van 27 februari 2008 en 11 augustus 2008 is uitdrukkelijk de clausule opgenomen dat, afhankelijk van de hoogte van de erfenis, de vanaf 1 januari 2008 verstrekte bijstand in de vorm van een geldlening moet worden terugbetaald zodra de erfenis van appellant tot uitbetaling komt. Gelet op het sluitstukkarakter van de WWB, maar eveneens van het Bbz 2004, op grond waarvan een beroep op bijstand alleen mogelijk is nadat de zelfstandige de beschikbare eigen middelen heeft ingezet om in de kosten van bestaan te voorzien, is deze clausule in overeenstemming met doel en strekking van de bijstandsverlening. Deze clausule impliceert dat appellanten de erfenis dienen aan te wenden tot terugbetaling van de kosten van bijstand die is verleend vanaf het moment waarop de aanspraak op de erfenis ontstond. De aanwijzing van appellanten dat de betaling van € 20.478,-- moet worden toegerekend aan het resterende bedrag van de rentedragende lening aan bedrijfskapitaal is daarmee in strijd.


4.4.2. Artikel 6:43 van het BW is niet rechtstreeks van toepassing in het voorliggende geschil, nu het hier een publiekrechtelijke rechtsverhouding betreft. Artikel 4:92, tweede lid, van de Awb is, gelet op het overgangsrecht ten aanzien van deze bepaling, nog niet van toepassing op deze zaak. Wel moet deze bepaling gezien worden als een codificatie van een reeds daarvoor ook in het bestuursrecht geldend rechtsbeginsel, dat in het privaatrecht in artikel 6:43 van het BW tot uitdrukking is gebracht. Dit rechtsbeginsel, volgens welk een schuldenaar de bevoegdheid toekomt om te bepalen tot welke van zijn schulden jegens zijn schuldeiser zijn betaling strekt, is evenwel niet absoluut. Zo kan de specifieke rechtsverhouding tussen partijen meebrengen dat de keuze van de schuldenaar niet gerespecteerd behoeft te worden.


4.4.3. De verhouding tussen appellanten als schuldenaren en het college als schuldeiser wordt bepaald door het complementaire karakter van de bijstandswetgeving. Daarbij is het bijstandverlenend orgaan, mede uit oogpunt van besteding van publieke middelen, gehouden zijn verplichtingen te beperken. In de voorliggende zaak wordt die verhouding nog in het bijzonder bepaald door de onder 1.2 weergegeven voorwaarden, die aan de bijstandsverlening waren verbonden.


4.4.4. Het volgen van de aanwijzing die appellanten aan hun betaling hebben gegeven, zou er toe leiden dat zij zich in bijstandbehoevende omstandigheden brengen en dat het college daardoor verplicht zou zijn aan hen bijstand te verlenen. Gelet op de onder 4.4.3 beschreven verhouding tussen partijen heeft het college daarom in dit geval in redelijkheid voorbij


kunnen gaan aan deze aanwijzing. Om die reden slaagt het beroep van appellanten op artikel 6:43, eerste lid, van het BW niet. Het college heeft het ontvangen bedrag aangewend ter voldoening van de terugvordering van bijstand over de periode van 8 januari 2008 tot en met 30 september 2008 en de nog openstaande schuld over 2007. Het resterende bedrag van € 6.388,60 is voorwaardelijk aangewend voor vervroegde aflossing van de rentedragende lening van het bedrijfskrediet onder de hiervoor in 1.5 genoemde restrictie. Het college mocht, gelet op de reeds beschreven verhouding van partijen en ter voorkoming van mogelijke toekomstige bijstandsverlening, aan de aanwijzing van appellanten voor zover het dit bedrag betreft, deze voorwaarde verbinden. Tegen de wijze waarop het college de betaling overigens heeft toegerekend hebben appellanten verder geen afzonderlijke gronden aangevoerd.


De afwijzing van de aanvraag


4.5.1. De rechterlijke beoordeling van het besluit tot afwijzing is beperkt tot de periode van 23 tot en met 24 december 2008, de datum van de aanvraag respectievelijk de datum van het primaire besluit van 24 december 2008.


4.5.2. Bij de besluiten van 8 oktober 2008 en 9 oktober 2008, genoemd in 1.4 en 1.5, heeft het college appellanten kenbaar gemaakt dat desgevraagd respectievelijk als zij beroep doen op bijstand aan hen het bedrag van € 6.368,60 zal worden gerestitueerd, zodat zij daarmee in de noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen voorzien. Gelet op het sluitstukkarakter van de WWB en het Bbz 2004 kan het college niet de bevoegdheid worden ontzegd tot restitutie van dit bedrag over te gaan nadat appellanten in december 2008 beroep op bijstand hebben gedaan. Voor zover appellanten in de beoordelingsperiode niet beschikten over voldoende middelen om de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien hadden zij, gelet op de toezegging in de besluiten van 8 en 9 oktober 2008, in die periode daarover redelijkerwijs kunnen beschikken. Om die reden verkeerden appelanten in deze periode niet in bijstandbehoevende omstandigheden. Het college heeft deze aanvraag van appellanten om bijstand om te voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan op goede gronden afgewezen.


4.6. Uit 4.2.1 tot en met 4.5.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, in aanmerking komt voor bevestiging met verbetering van gronden.


4.7. Appellanten hebben verzocht om vergoeding van immateriële schade als de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden wordt overschreden. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, stelt de Raad vast dat, uitgaande van de ontvangst van de eerste twee bezwaarschriften van appellanten op 24 oktober 2008, de redelijke termijn voor deze procedure in drie instanties - welke termijn in beginsel vier jaar bedraagt voor de procedure in haar geheel - niet is overschreden. Voor het hanteren van een kortere termijn bestaat in dit geval geen aanleiding. Aangezien de termijn van vier jaar niet is overschreden, bestaat geen grond voor vergoeding van de immateriële schade.


4.8. Het hoger beroep leidt niet tot het door appellanten beoogde resultaat, zodat hun verzoek om vergoeding van vertragingsschade in de vorm van wettelijke rente moet worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.F. Bandringa en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2012.


(getekend) O.L.H.W.I. Korte


(getekend) J.M. Tason Avila


HD