Centrale Raad van Beroep, 01-11-2012 / 11-7513 MAW


ECLI:NL:CRVB:2012:BY2403

Inhoudsindicatie
Verzoek om erkenning en eerherstel in optreden als leider, collega gezagdrager, rapporteur en als getuige hoogste in rang in het tijdvak van 3 september 1963 tot 1 augustus 1999. Verzoek om met terugwerkende kracht met ingang van 1 mei 1991 te worden bevorderd tot eerste luitenant. De bevordering van een militair is gebaseerd op het principe ‘rang volgt functie’. Aan de militair die een functie is toegewezen waaraan een hogere rang is verbonden dan de rang die hij bekleedt, wordt met ingang van de datum van ingang van functievervulling die hogere rang toegekend. Aan appellant is nimmer een functie toegewezen waaraan de rang van eerste luitenant is verbonden. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is niet gebleken. Appellant heeft geen namen van homoseksuele adjudanten genoemd die zich in dezelfde positie bevonden als hij en die wel zijn bevorderd tot eerste luitenant.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-11-01
Publicatiedatum
2012-11-07
Zaaknummer
11-7513 MAW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2013/45
Uitspraak

11/7513 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 november 2011, 11/422 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B.] (appellant)


de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (minister)


Datum uitspraak: 1 november 2012


PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


De minister heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2012. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van de Ruit.


OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.


2.1. Appellant is van 3 september 1963 tot de datum van zijn functioneel leeftijdsontslag op 1 augustus 1999 als beroepsmilitair werkzaam geweest bij de Koninklijke landmacht, laatstelijk in de rang van adjudant onderofficier bij de Militair Geneeskundige Dienst.


2.2. Bij brief van 23 september 1999 heeft appellant een bedrag van ƒ100.000,- aan schadevergoeding geëist, omdat de minister - kort weergegeven - gedurende de periode 1970-1994 lijdelijk heeft toegelaten dat appellant vanwege zijn homoseksuele geaardheid bij de diverse collega's en ondergeschikten het mikpunt van smaad en laster was, hij als krijgstuchtelijk of beoordelend meerdere nooit werd geaccepteerd vanwege zijn geaardheid en de minister appellant nooit een eerlijke kans heeft gegeven zich daartegen in rechte te verweren.


2.3. Bij besluit van 26 juli 2000 is dit verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze afwijzing is na bezwaar gehandhaafd. Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank ’s-Gravenhage bij uitspraak van 16 oktober 2001, 01/00842, ongegrond verklaard, welke uitspraak door de Raad (CRvB 29 januari 2004, LJN AO3191) is bevestigd. De Raad heeft hierbij overwogen dat ten tijde van het verzoek op 23 september 1999 reeds meer dan vijf jaren waren verstreken sinds de tijdstippen waarop appellant tegen schadeveroorzakend handelen of nalaten van de minister in actie had kunnen komen, wat betekent dat de minister zich terecht op verjaring heeft kunnen beroepen.


2.4. Bij brief van 1 november 2007 heeft appellant verzocht om erkenning en eerherstel in zijn optreden als leider, collega gezagdrager, rapporteur en als getuige hoogste in rang in het tijdvak van 3 september 1963 tot 1 augustus 1999. Verder heeft appellant verzocht om met terugwerkende kracht met ingang van 1 mei 1991 te worden bevorderd tot eerste luitenant.


2.5. Bij brief van 14 december 2007 heeft de minister appellant bericht dat hij, gelet op de in het verleden tussen partijen gevoerde correspondentie over de bejegening van appellant in het leger, geen aanleiding ziet op het verzoek van appellant in te gaan. Verdere correspondentie achtte de minister niet zinvol. Na door appellant hiertegen gemaakt bezwaar heeft de minister hem bij besluit van 11 maart 2008 meegedeeld dat de brief van 14 december 2007 niet een voor bezwaar en/of beroep vatbaar besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) behelst. De rechtbank heeft bij uitspraak van 19 januari 2009, 08/2904, het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 2 september 2010, LJN BN7039, deze uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit van

11 maart 2008 vernietigd en de minister opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Hierbij heeft de Raad overwogen dat appellant met zijn verzoek van 1 november 2007 onmiskenbaar een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb heeft ingediend waarop de minister een inhoudelijke beslissing had dienen te nemen, te meer daar appellant nog niet eerder een verzoek om bevordering tot eerste luitenant had ingediend.


3. Ter uitvoering van de onder 2.5 vermelde uitspraak van de Raad heeft de minister bij besluit van 6 december 2010 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 december 2007 ongegrond verklaard. De minister heeft zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 29 januari 2004, op het standpunt gesteld dat het verzoek van appellant om schadevergoeding verjaard is. Voorts zijn er geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd na het oorspronkelijke besluit van 26 juli 2000.


4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat het verzoek van appellant van 1 november 2007 dient te worden opgevat als een herhaald verzoek, als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, om schadevergoeding in verband met vermeende discriminatie. Op dit verzoek is reeds beslist bij het besluit van 26 juli 2000. Er zijn door appellant na dit besluit geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1. Uit de uitspraak van de Raad van 2 september 2010 vloeit voort dat de minister een inhoudelijke beslissing dient te nemen op het verzoek van appellant van 1 november 2007 om bevordering tot eerste luitenant.


5.2. Door bij het bestreden besluit ervan uit te gaan dat het verzoek van appellant van 1 november 2007 een herhaalde aanvraag betreft en daarop niet inhoudelijk te beslissen heeft de minister geen juiste uitvoering gegeven aan de uitspraak van de Raad van 2 september 2010. Het bestreden besluit kan dus niet in stand blijven. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, moet worden vernietigd.


5.3. Omdat de minister van opvatting is dat het verzoek van appellant om (een voordracht tot) bevordering moet worden afgewezen, zal de Raad bezien of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.


5.4. Appellant heeft zijn verzoek van 1 november 2007 in hoger beroep beperkt tot het verzoek om met terugwerkende kracht met ingang van 1 mei 1991 bevorderd te worden tot eerste luitenant. Hiertoe doet hij een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Appellant heeft geconstateerd dat reeds sinds lange tijd homoseksuele adjudanten worden bevorderd tot eerste luitenant. Hij kwam echter enkel om discriminatoire redenen niet voor een dergelijke bevordering in aanmerking. Hij verwijst in dit verband naar een uiteenzetting van de commissie voor bezwaarschriften van 17 juni 1980.


5.5. De minister is onder verwijzing naar artikel 27, vierde lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement van opvatting dat appellant niet bevorderd kan worden. De bevordering van een militair is gebaseerd op het principe ‘rang volgt functie’. Aan de militair die een functie is toegewezen waaraan een hogere rang is verbonden dan de rang die hij bekleedt, wordt met ingang van de datum van ingang van functievervulling die hogere rang toegekend. Aan appellant is nimmer een functie toegewezen waaraan de rang van eerste luitenant is verbonden.


5.6. De Raad volgt de minister in zijn opvatting. Daar voegt de Raad nog aan toe dat van strijd met het gelijkheidsbeginsel niet is gebleken. Appellant heeft zijn beroep op dit beginsel op geen enkele wijze onderbouwd. Hij heeft geen namen van homoseksuele adjudanten genoemd die zich in dezelfde positie bevonden als hij en die wel zijn bevorderd tot eerste luitenant. Uit de uiteenzetting van de commissie voor bezwaarschriften van 17 juni 1980 kan niet worden afgeleid dat appellant om discriminatoire redenen niet is bevorderd tot eerste luitenant.


5.7. De Raad zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit daarom in stand laten.


6. De Raad ziet ten slotte aanleiding om de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op een bedrag van € 48,12 aan reiskosten.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 48,12;

- bepaalt dat de minister het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 153,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2012.



(getekend) N.J. Vulpen-Grootjans


(getekend) M.R. Schuurman