Centrale Raad van Beroep, 07-11-2012 / 11-2331 ZW


ECLI:NL:CRVB:2012:BY2428

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig. Voldoende rekening gehouden met de klachten van appellant. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat appellant op de datum in geding vanwege ziekte of gebreken niet in staat was zijn arbeid te verrichten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-11-07
Publicatiedatum
2012-11-08
Zaaknummer
11-2331 ZW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/2331 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 maart 2011, 10/2870 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B.] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


Datum uitspraak: 7 november 2012


PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. A. Boumanjal, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2012. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. drs. Boumanjal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.A.M. Schalkwijk.


OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als buurthuisconciërge voor 40 uur per week. Begin 2009 is hij tijdens zijn werk met een vuurwapen bedreigd. Vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving heeft hij zich op 21 juni 2009 ziek gemeld met psychische klachten. In verband daarmee is hem een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Appellant is meerdere keren onderzocht door verzekeringsarts M. Copier-Werrie. Daarnaast heeft zij de psychologe F. Kamphorst geraadpleegd, die bij rapport van 18 september 2009 haar bevindingen heeft uitgebracht. Na onderzoek op het spreekuur van 17 mei 2010 heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat inmiddels sprake was van een duidelijk verbeterde situatie ten opzichte van de eerdere onderzoeken en dat appellant niet langer vanwege ziekte of gebrek ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid in de functie van buurthuisconciërge. Bij besluit van 17 mei 2010 is de ZW-uitkering van appellant per 24 mei 2010 beëindigd.


1.2. Bij besluit van 27 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 17 mei 2010 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter van 21 juli 2010 ten grondslag.


2. Het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak door de rechtbank ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is de bezwaarverzekeringsarts bij de vaststelling dat appellant niet langer ongeschikt is te achten voor zijn eigen werk wegens ziekte of gebrek, voldoende zorgvuldig te werk gegaan en is in voldoende mate rekening gehouden met zijn klachten, zodat van een ontoereikende dan wel onjuiste medische grondslag geen sprake is. De rechtbank acht hierbij van belang dat de (bezwaar)verzekeringsartsen, van wie het de specifieke deskundigheid is om op basis van medisch objectiveerbare klachten de beperkingen terzake van arbeid vast te stellen, appellant meerdere keren hebben onderzocht en een psycholoog hebben geraadpleegd. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden besloten om appellant met ingang van 24 mei 2010 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.


3. In hoger beroep betwist appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank. Hij heeft daartoe (samengevat) gesteld dat de rechtbank heeft miskend dat het Uwv aan het bestreden besluit , anders dan aan het primaire besluit het standpunt ten grondslag heeft gelegd dat appellant niet in staat is om zijn arbeid te verrichten, zulks reeds het geval was per aanvang ziektewetverzekering, doch deze ongeschiktheid niet het gevolg is van ziekte als wel van andere redenen en dat dit standpunt door het Uwv onvoldoende is gemotiveerd. Verder heeft appellant gesteld dat zijn psychische klachten, voortvloeiend uit een door het bedreiging incident in januari 2009 ontstane PTSS, per datum in geding nog steeds aanwezig waren en daarnaar door de bezwaarverzekeringsarts geen zorgvuldig onderzoek is gedaan.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Naar de Raad bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.


4.2. Allereerst wordt vastgesteld dat het Uwv, anders dan appellant in zijn hoger beroep doet voorkomen, zowel aan het primaire besluit als aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat appellant per datum in geding niet (langer) vanwege ziekte of gebreken ongeschikt voor zijn eigen werk is te achten. Dit standpunt is ook te herleiden uit de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage daarnaast overwegingen heeft opgenomen met betrekking tot de vraag of appellant wel over de voor dit werk benodigde competenties beschikt, kan aan dit oordeel niet afdoen.


4.3. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen met betrekking tot het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen worden onderschreven. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben appellant onderzocht, kennis genomen van informatie van psychologe Kamphorst en hebben hun bevindingen inzichtelijk en voldoende gemotiveerd gerapporteerd. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat appellant op de datum in geding vanwege ziekte of gebreken niet in staat was zijn arbeid te verrichten.


4.4. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten de ZW-uitkering van appellant per 24 mei 2010 te beëindigen.


5. Uit hetgeen in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2012.



(getekend) C.P.J. Goorden



(getekend) D. Heeremans