Centrale Raad van Beroep, 06-11-2012 / 10/1352 WWB + 10/1353 WWB + 12/3924 WWB + 12/3925 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BY2602

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Ter uitvoering van de tussenuitspraak (LJN BW1269) heeft het college nieuwe besluiten genomen. De intrekking berust op de grond dat wegens het exploiteren, danwel het verwerven van inkomsten uit de kweek van hennep het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Schending inlichtingenverplichting. Aangezien appellanten niet aan de hand van een administratie of anderszins aannemelijk hebben gemaakt in welke omvang de werkzaamheden zijn verricht en wat daarmee is verdiend, kan niet worden vastgesteld of zij in deze periode (aanvullend) recht op bijstand zouden hebben gehad als zij de inlichtingenverplichting wel waren nagekomen. Het college was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellanten over bedoelde periode verleende bijstand in te trekken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-11-06
Publicatiedatum
2012-11-08
Zaaknummer
10/1352 WWB + 10/1353 WWB + 12/3924 WWB + 12/3925 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/1352 WWB, 10/1353 WWB, 12/3924 WWB, 12/3925 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 februari 2010, 09/1166 en 09/1167 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[Appellant] en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]


het college van burgemeester en wethouders van Nederweert (college)


Datum uitspraak 6 november 2012.


PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 10 april 2012, LJN BW1269, een tussenuitspraak gedaan. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college twee afzonderlijke besluiten van 15 mei 2012 genomen.


Namens appellanten heeft mr. G.J. Lemmen, advocaat, bij brief van 18 juni 2012 zijn zienswijze op deze besluiten naar voren gebracht.


Bij brief van 9 augustus 2012 heeft het college op deze zienswijze gereageerd.


Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet is bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en is het onderzoek gesloten.


OVERWEGINGEN

1. Voor een uiteenzetting van de feiten wordt verwezen naar de tussenuitspraak van 10 april 2012. Hieraan voegt de Raad het volgende toe.


1.1. In zijn tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat appellanten de hennepkwekerij, die op 18 december 2007 in de berging achter hun woonwagen is aangetroffen, in ieder geval gedurende 22 weken hebben voorbereid en geëxploiteerd. In die uitspraak is het college opgedragen het gebrek in de besluiten van 21 juli 2009 te herstellen. Daartoe heeft de Raad overwogen dat de onderzoeksgegevens onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat de op 18 december 2007 aangetroffen hennepplanten zes weken oud zouden zijn. Nu appellanten dit uitdrukkelijk betwisten en hebben aangevoerd dat hennepplanten in een beduidend kortere tijd dan zes weken de hoogte van 65 cm kunnen bereiken, berust het standpunt van het college niet op een draagkrachtige motivering. Dat betekent dat de besluiten van 21 juli 2009 niet op een deugdelijke motivering berusten.


1.2. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college op 15 mei 2012 nieuwe besluiten genomen. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat op geen andere wijze gemotiveerd kan worden dat de aangetroffen hennepplanten een groei van zes weken hebben doorgemaakt. Het college heeft daarom de bezwaren van appellanten in zoverre gegrond verklaard dat de toegekende bijstand van 23 juli 2007 tot en met 17 december 2007 wordt herzien (lees: ingetrokken) op grond van artikel 54, derde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB). Deze intrekking berust op de grond dat over deze periode wegens het exploiteren, danwel het verwerven van inkomsten uit de kweek van hennep het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college heeft de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.907,31 van appellanten teruggevorderd.


2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


2.1. De Raad stelt vast dat het college bij de besluiten van 15 mei 2012 het door de Raad geconstateerde gebrek dat aan de besluiten van 21 juli 2009 kleefde, heeft hersteld door de intrekking van de bijstand van appellanten over zes weken, de gestelde groeiperiode van de op 18 december 2007 aangetroffen hennepplanten, niet langer te handhaven. Daardoor wordt de intrekking van de bijstand beperkt tot de periode van 23 juli 2007 tot en met 17 december 2007. Het gevolg daarvan is dat het bedrag van de terugvordering is beperkt tot € 6.907,31.


2.2. Met de besluiten van 15 mei 2012 is niet geheel aan de bezwaren van appellanten tegemoetgekomen. Dit betekent dat het geding in hoger beroep, gelet op de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb, zich mede uitstrekt tot deze nieuwe besluiten.


2.3. Appellanten hebben niet gemeld aan het college dat zij in de periode van 23 juli 2007 tot en met 17 december 2007 een hennepkwekerij hebben voorbereid en geëxploiteerd. Hiermee hebben zij de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Aangezien appellanten niet aan de hand van een administratie of anderszins aannemelijk hebben gemaakt in welke omvang de werkzaamheden zijn verricht en wat daarmee is verdiend, kan niet worden vastgesteld of zij in deze periode (aanvullend) recht op bijstand zouden hebben gehad als zij de inlichtingenverplichting wel waren nagekomen. Het college was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellanten over bedoelde periode verleende bijstand in te trekken. De omstandigheid dat, zoals appellanten aanvoeren, de periode van 23 juli 2007 tot en met 17 december 2007 geen 22 weken, maar 21 weken omvat, is in het voordeel van appellanten en behoeft daarom geen bespreking.

Appellanten hebben de uitoefening van deze bevoegdheid niet bestreden. Appellanten hebben geen zelfstandige gronden tegen de terugvordering aangevoerd. De terugvordering behoeft daarom geen verdere bespreking. Daaruit volgt dat de beroepen tegen de besluiten van 15 mei 2012 ongegrond moeten worden verklaard.


2.4. De Raad komt op grond van hetgeen in de tussenuitspraak en hiervoor is overwogen tot de hieronder vermelde beslissing.


3. Er bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.736,50 voor verleende rechtsbijstand.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart de beroepen tegen de besluiten van 21 juli 2009 gegrond;

-vernietigt de besluiten van 21 juli 2009;

-verklaart de beroepen tegen de besluiten van 15 mei 2012 ongegrond;

-veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.736,50, waarvan een bedrag van € 1.092,50, te betalen aan de griffier van de Raad;

-bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2012.


(getekend) J.F. Bandringa


(getekend) V.C. Hartkamp


HD