Centrale Raad van Beroep, 08-11-2012 / 09-6153 AW


ECLI:NL:CRVB:2012:BY2631

Inhoudsindicatie
Bij het besluit van 2 december 2010 heeft de minister appellante verzocht haar schade nader schriftelijk te onderbouwen. Niet gebleken is dat appellante van die mogelijkheid om haar schade inzichtelijk te maken voor de minister gebruik heeft gemaakt. Overigens ziet de Raad niet in dat met de betaling van wettelijk rente over het verschuldigde bedrag tot aan de dag van betaling toe nog andere schade voor appellante zou resteren. Wel zal de minister, zoals ook ter zitting is toegezegd, nu met voortvarendheid tot betaling moeten overgaan. Gelet op die toezegging, ziet de Raad geen aanleiding om een betalingstermijn vast te stellen. Afwijzing verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-11-08
Publicatiedatum
2012-11-09
Zaaknummer
09-6153 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2013/46
Uitspraak

09/6153 AW, 11/750 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 september 2009, 09/5180 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B.]


de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (minister)


Datum uitspraak 8 november 2012.


PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.


De minister heeft een verweerschrift ingediend.


Het beroep is behandeld ter zitting van 16 augustus 2012, gevoegd met de gedingen tussen partijen met de nummers 09/6113 AW en 11/5357 AW. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. T.H. ten Wolde, advocaat, en [naam gemachtigde]. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L. Kuipers, mr. F.P.M. Kousen, drs. E. Stolwijk en

ir. P.J.A.L. Munters. Als getuige is verschenen en gehoord [naam getuige].


Na het onderzoek ter zitting zijn de gedingen gesplitst en wordt daarin heden afzonderlijk uitspraak gedaan.


OVERWEGINGEN


1.1 Waar in deze uitspraak wordt gesproken over de minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.


1.2. Appellante is met ingang van 1 juli 2006 in tijdelijke dienst aangesteld op grond van artikel 6, tweede lid, onder a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), voor een proeftijd van twee jaren. Dit dienstverband is wegens een periode van arbeidsongeschiktheid van appellante verlengd tot 1 januari 2009.


1.3. Bij besluit van 20 april 2009 is aan appellante meegedeeld dat aan haar niet opgenomen regulier verlof over twee jaar (331,2 uren) zal worden uitbetaald. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 10 juni 2009 gegrond verklaard, voor zover aan appellante niet de wettelijke rente was toegekend over de periode van 23 januari 2009 tot

24 april 2009. Voor het overige is het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.


1.4. Het door appellante tegen het besluit van 10 juni 2009 ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, dit besluit is vernietigd en aan de minister is opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Het verzoek om vergoeding van schade heeft de rechtbank afgewezen.


1.5. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de minister op 2 december 2010 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Bij dit besluit is het bezwaar gegrond verklaard. Beslist is dat de verlofaanspraken van appellante en de wettelijke rente zullen worden betaald overeenkomstig de berekeningen van appellante in haar beroepschrift. Naast de al uitbetaalde verlofuren zullen nog 199,4 uren worden uitbetaald, ten bedrage van € 6.222,53 (bruto) en de wettelijke rente over de periode vanaf 1 januari 2009 tot de dag van uitbetaling. Met betrekking tot de verzochte schadevergoeding is overwogen dat appellante de schade inzichtelijk moet maken en dat daarover dan separaat zal worden beslist. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beoordeelt de Raad ook dit nieuwe besluit.


2. Appellante heeft procedurele gronden aangevoerd tegen de behandeling van het beroep door de rechtbank. Verder heeft de rechtbank volgens appellante ten onrechte de primaire besluiten van 10 juni 2009, 23 juni 2008 en 7 juli 2008 in stand gelaten en de minister niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Appellante maakt aanspraak op vergoeding van proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep op grond van het Besluit melden vermoeden van misstand bij Rijk en politie van 18 september 2009. Verder maakt appellante aanspraak op een dwangsom van € 1.260,- wegens het niet tijdig beslissen door de minister ter uitvoering van de aangevallen uitspraak en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door de minister bij het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar. Ten slotte heeft appellante verzocht om vergoeding van schade.


3. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1. Appellante is door de rechtbank in het gelijk gesteld en ook overigens is er geen aanleiding om aan te nemen dat appellante door de gang van zaken op de zitting of anderszins bij de totstandkoming van de aangevallen uitspraak in haar procedurele belangen is geschaad.


4.2. Het primaire besluit van 10 juni 2009 is al door de rechtbank vernietigd. De besluiten van 23 juni 2008 en 7 juli 2008 staan niet ter beoordeling in dit geding.


4.3. De Raad kan appellante niet volgen in haar standpunt dat de proceskosten hadden moeten worden vergoed omdat zij een melder was van een misstand in de zin van het onder 2 genoemde besluit. Er is geen sprake van een rechtsprocedure die is gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 2, eerste of tweede lid, van dat besluit. De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat alleen de reiskosten van appellante vergoed dienden te worden, nu in deze procedure geen sprake was van kenbare bijstand door een professionele gemachtigde.


4.4. Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen in werking getreden (Stb. 2009, 383). Daarbij is onder meer afdeling 8.2.4a aan de Awb toegevoegd. Op grond van het overgangsrecht, zoals neergelegd in artikel III, tweede lid, van die wet, blijft op een bezwaar- of beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit dat is ingediend voor het tijdstip waarop afdeling 8.2.4a in werking is getreden, het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing. Met de aangevallen uitspraak is een nieuwe termijn gaan lopen waarbinnen de minister opnieuw op het door appellante gemaakt bezwaar diende te beslissen (CRvB 25 januari 2011, LJN BP2458). Nu die uitspraak echter is gedaan vóór de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen blijft, voor zover hier van belang, op het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing. De afwijzing van een aanspraak op een dwangsom wegens niet tijdig beslissen houdt dus in rechte stand.


4.5. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de minister in het nieuw te nemen besluit op bezwaar aandacht zal moeten besteden aan de vraag of er aanleiding bestaat om schade te vergoeden. Bij het besluit van 2 december 2010 heeft de minister appellante verzocht haar schade nader schriftelijk te onderbouwen. Niet gebleken is dat appellante van die mogelijkheid om haar schade inzichtelijk te maken voor de minister gebruik heeft gemaakt. Overigens ziet de Raad niet in dat met de betaling van wettelijk rente over het verschuldigde bedrag tot aan de dag van betaling toe nog andere schade voor appellante zou resteren. Wel zal de minister, zoals ook ter zitting is toegezegd, nu met voortvarendheid tot betaling moeten overgaan. Gelet op die toezegging, ziet de Raad geen aanleiding om een betalingstermijn vast te stellen.


4.6. Gezien het vorenstaande en ook in hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om het besluit van de minister van 2 december 2010 in rechte aan te tasten. Het beroep tegen dat besluit dient ongegrond te worden verklaard.


4.7. De rechtbank heeft overwogen dat er geen aanleiding was tot vergoeding van griffierecht, omdat alleen griffierecht was geheven in een samenhangende zaak. Blijkens de door appellante in hoger beroep overgelegde factuur en betaling was echter wel griffierecht betaald in de zaak met nummer 09/5180. De Raad zal dus alsnog bepalen dat aan appellante het in beroep en, nu deze beroepsgrond doel treft, ook in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 373,- moet worden vergoed. Voor het overige treffen ook de beroepsgronden tegen de aangevallen uitspraak geen doel.


5. Met betrekking tot de verzochte vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn die binnen het Nederlandse rechtssysteem is aangewezen, wordt het volgende overwogen. Het betreft hier een procedure in drie instanties, te weten bezwaar, beroep en hoger beroep. De redelijke termijn voor een procedure in drie instanties is volgens vaste rechtspraak van de Raad in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Heeft de totale procedure langer dan vier jaar geduurd, dan dient vervolgens per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij voor de verschillende instanties in beginsel de volgende termijnen gelden: bezwaar een half jaar, beroep anderhalf jaar en hoger beroep twee jaar. Nu in het onderhavige geval de totale procedure drie jaar en vijf maanden heeft geduurd, is van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM geen sprake.


6. Voor een veroordeling tot vergoeding van schade op grond van artikel 8:73 van de Awb is geen aanleiding. De rechtbank heeft, gezien het vorenstaande, het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb terecht afgewezen en het nadere besluit van de minister van 2 december 2010 houdt in rechte stand.


7. Met betrekking tot de proceskosten verwijst de Raad allereerst naar hetgeen onder 4.3 is overwogen. In het hoger beroep in deze zaak heeft appellante zelf een beroepschrift ingediend bij de Raad. De toenmalige advocaat van appellante, mr. M. Vaessen, heeft het beroep tegen het nadere besluit van 2 december 2010 onderbouwd. Kort voor de zitting zijn de beroepsgronden nog nader aangevuld door mr. Ten Wolde, die appellante ook op de zitting heeft bijgestaan. Een en ander resulteert in een veroordeling van de minister in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 1.092,50 (een punt voor het beroepschrift tegen het besluit van 2 december 2010, een halve punt voor de aanvulling van het beroepschrift en een hele punt voor de bijstand ter zitting à € 437,- per punt).


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 2 december 2010 ongegrond;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 1.092,50;

- bepaalt dat de minister aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 373,-

vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.G. Treffers en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2012.


(getekend) A. Beuker-Tilstra


(getekend) M.R. Schuurman


HD