Centrale Raad van Beroep, 26-10-2012 / 11/355 WAO-T


ECLI:NL:CRVB:2012:BY2672

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. De bezwaararbeidsdeskundige heeft het standpunt ingenomen dat er slechts sprake is van een beperkt functioneel dan wel direct contact met collega’s. Dat komt volgens de bezwaararbeidsdeskundige overeen met de geformuleerde voorwaarde, dat appellante is aangewezen op werk waarin meestal geen direct contact met collega’s vereist is. Een motivering waarom geen overschrijding plaatsvindt ontbreekt echter. Dit klemt te meer nu appellante op dit aspect sterk beperkt is geacht hetgeen inhoudt dat zij in de regel niet met anderen kan werken. De Raad draagt het Uwv op dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-10-26
Publicatiedatum
2012-11-08
Zaaknummer
11/355 WAO-T
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2012/348
Uitspraak

11/355 WAO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 december 2010, 09/5512 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B.]


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


Datum uitspraak 26 oktober 2012.


PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. Bobeldijk hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend .


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.J.M. Arentz-Veldkamp, kantoorgenoot van mr. Bobeldijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.


OVERWEGINGEN


1.1. Appellante was werkzaam als caissière bij een benzinestation toen zij op 14 februari 2002 uitviel met elleboogklachten. Daarna ontstonden ernstige psychische klachten en werd zij met ingang van 13 februari 2003 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.2. Een herbeoordeling in 2004 heeft geleid tot voortzetting van de WAO-uitkering op basis van dezelfde mate van arbeidsongeschiktheid. Een herbeoordeling in 2008 heeft geleid tot een besluit van 9 februari 2009, waarbij de WAO-uitkering met ingang 10 april 2009 is ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen. Na bezwaar van appellante heeft een bezwaarverzekeringsarts de bij laatstgenoemde herbeoordeling opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangescherpt op onder meer het aspect “vervoer”. De bezwaararbeidsdeskundige heeft het CBBS geraadpleegd en (deels) andere functies geselecteerd, waarmee appellante ook ten minste 85% van haar maatvrouwinkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 februari 2009 bij besluit van 19 oktober 2009 (bestreden besluit) gegrond verklaard, vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 10 april 2009 80 tot 100% bedraagt en de WAO-uitkering ingetrokken met ingang van 20 december 2009.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat zij meer beperkingen voor het verrichten van arbeid ervaart dan door de bezwaarverzekeringsarts in de FML zijn vastgelegd. Zij is van mening dat zij vanwege haar beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren helemaal niet kan werken. Verder heeft zij aangevoerd dat de medische onderzoeken niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen omdat geen informatie bij haar huisarts is ingewonnen.


4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.2. De rechtbank heeft op goede gronden vastgesteld dat het Uwv de medische beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid niet heeft onderschat. De arts en de bezwaarverzekeringsarts hebben zich door middel van eigen onderzoek een beeld kunnen vormen van de medische situatie van appellante. Ten tijde van de verschillende onderzoeken was geen sprake van specialistische medische behandeling. Appellante kwam wel geregeld bij haar huisarts voor medicatie en gesprekken. Dit enkele gegeven hoefde voor de (bezwaarverzekerings)arts geen aanleiding te vormen nadere informatie aan de huisarts van appellante te vragen, te meer niet nu appellante niet een duidelijk andere visie had op het medische beeld zoals bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar voren kwam. Appellante heeft in hoger beroep een brief van haar huisarts in geding gebracht. In die brief bevestigt de huisarts de door appellante eerst in hoger beroep betrokken stelling dat zij allergisch reageert op rubber. De bezwaarverzekeringsarts heeft het FML op dit punt ook aangepast. Van een onzorgvuldig onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts is dan ook geen sprake.


4.3.1. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen, rijst de vraag of de belasting van de bij de onderhavige schatting uiteindelijk betrokken functies binnen de voor appellante vastgestelde belastbaarheid is gelegen.


4.3.2. Op grond van vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 7 maart 2008, LJN BC7288) moet, indien een betrokkene is aangewezen op een voorziening voor woon-werkverkeer, een dergelijke voorziening door de betrokkene zelf worden getroffen. De meest verstrekkende voorziening die in zo’n geval gevergd kan worden is de vervoersvoorziening waarvan sprake was in de uitspraak van de Raad van 1 juni 2011 (LJN BQ7590). Het gaat dan om een vervoersvoorziening bestaande uit vervoer per taxi van thuis naar de werkplek door elk taxibedrijf met een voldoende aantal taxi’s en normaal service niveau, waarbij de chauffeur niet steeds dezelfde persoon of een bekende van de betrokkene hoeft te zijn. In de situatie van appellante heeft de bezwaarverzekeringsarts bij het beperken van het item vervoer echter aangegeven dat appellante is aangewezen op een regeling of voorziening voor woon-werkverkeer, omdat zij als gevolg van haar angstklachten moeite heeft om zich zelfstandig buitenshuis te vervoeren. Bij een dergelijke voorziening behoeft appellante volgens de bezwaarverzekeringsarts steun van een vertrouwde begeleider en kan later worden volstaan met het aanbieden van regulier taxivervoer. Het aanbrengen van een dergelijke beperking brengt mee dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies niet aan appellante kunnen worden opgedragen omdat appellante die functies alleen kan verrichten als zij een niet van haar te vergen inspanning (het voorzien in begeleiding) verricht voor het woon-werkverkeer.


4.4. In de bezwaarfase heeft de bezwaararbeidsdeskundige een aantal door de arbeidsdeskundige aan de schatting ten grondslag gelegde functies laten vervallen, omdat in die functies de belasting op het aspect samenwerken (items 2.9.2 en 2.12.4) de belastbaarheid van appellante te boven gaat. De functies die appellante wel zou kunnen verrichten laten geen signalering op de items 2.9.2 en 2.12.4 zien, maar gelet op de omschrijving van de inhoud van die functies dient in meer of mindere mate wel te worden samengewerkt. In reactie op dit aspect van het hoger beroep heeft de bezwaararbeidsdeskundige het standpunt ingenomen dat er slechts sprake is van een beperkt functioneel dan wel direct contact met collega’s. Dat komt volgens de bezwaararbeidsdeskundige overeen met de bij 2.12.4 geformuleerde voorwaarde, dat appellante is aangewezen op werk waarin meestal geen direct contact met collega’s vereist is. Een motivering waarom geen overschrijding op aspect 2.9.2 plaatsvindt ontbreekt echter. Dit klemt te meer nu appellante op dit aspect sterk beperkt is geacht hetgeen inhoudt dat zij in de regel niet met anderen kan werken.


5. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in de beslissing op bezwaar van 10 oktober 2009 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.


Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en M.C. Bruning en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2012.


(getekend) C.W.J. Schoor


(getekend) J.R. Baas


GdJ