Centrale Raad van Beroep, 14-11-2012 / 11/3926 WAO + 11/3927 ZW


ECLI:NL:CRVB:2012:BY3101

Inhoudsindicatie
Weigering ZW- en WAO-uitkering. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in grote lijnen een herhaling van hetgeen zij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden goed gemotiveerd besproken en met juistheid geoordeeld dat zij niet slagen. Ook in hoger beroep heeft appellante geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat het Uwv de mogelijkheden van appellante om te werken heeft overschat.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-11-14
Publicatiedatum
2012-11-15
Zaaknummer
11/3926 WAO + 11/3927 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/3926 WAO, 11/3927 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 mei 2011, 10/800 en 10/801 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B.]


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


Datum uitspraak 14 november 2012.


PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Skála, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Skála. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.


OVERWEGINGEN

1. Bij besluiten van 24 juni 2010 (bestreden besluiten) heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 16 april 2010, waarbij is geweigerd aan appellante ingaande 6 dan wel 13 november 2006 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellante hiertegen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante niet gevolgd kan worden in haar stelling dat zij - naar aanleiding van haar ziekmelding per 6 dan wel 13 november 2006 - op 20 december 2006 niet is onderzocht door de verzekeringsarts. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat appellante de gestelde arbeidsongeschiktheid niet heeft onderbouwd. Dat het Uwv pas op 16 april 2010 een besluit heeft afgegeven ter zake van de hersteldverklaring van appellante doet niet af aan de inhoud van dat besluit.


3. In hoger beroep heeft appellante opnieuw aangevoerd dat geen correct medisch onderzoek is uitgevoerd. Aan appellante is niet verteld dat zij per 6 dan wel 13 november 2006 arbeidsgeschikt werd geacht. Daarom mocht zij erop vertrouwen dat haar een uitkering zou worden verleend. Zij kon op genoemde data niet werken.


4.1. De Raad overweegt als volgt.


4.2. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in grote lijnen een herhaling van hetgeen zij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden goed gemotiveerd besproken en met juistheid geoordeeld dat zij niet slagen. Ook in hoger beroep heeft appellante geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat het Uwv de mogelijkheden van appellante om op 6 dan wel 13 november 2006 te werken heeft overschat. Voorts heeft appellante ter zitting gezegd dat de verzekeringsarts op 20 december 2006 haar hand wel heeft gevoeld.


4.3. De stelling van appellante dat haar niet verteld is dat zij per 6 dan wel 13 november 2006 arbeidsgeschikt werd geacht en er daarom op mocht vertrouwen dat haar een uitkering zou worden verleend, slaagt niet. In het rapport van de verzekeringsarts van 20 december 2006 is vermeld dat een hersteldatum is aangegeven. Voorts is in de uitspraak van de rechtbank van 30 oktober 2007 verwezen naar genoemd rapport van de verzekeringsarts en vermeld dat appellante voor de ZW niet arbeidsongeschikt wordt geacht. Het had appellante dus duidelijk kunnen zijn dat zij niet arbeidsongeschikt werd geacht en geen recht had op uitkering. Dat eenmalig in een telefoongesprek op 8 april 2010 door het Uwv een andersluidende mededeling is gedaan maakt dit niet anders, reeds omdat die mededeling in het telefoongesprek van 16 april 2010 is teruggenomen.


5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.


6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2012.


(getekend) Ch. van Voorst


(getekend) H.J. Dekker


KR