Centrale Raad van Beroep, 13-11-2012 / 12-1225 WWB


ECLI:NL:CRVB:2012:BY3116

Inhoudsindicatie
Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd ten behoeve van de kosten voor zijn crematie, grafsteen en huisontruiming. Appellant schat die kosten op respectievelijk € 5.000,--, € 1.000,-- en € 2.000,--. Hij heeft toegelicht dat hij zijn zaken tijdig wil regelen. Het college heeft deze aanvraag afgewezen. Raad: De kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd hebben zich nog niet voorgedaan. De kosten doen zich pas voor bij het overlijden van appellant. De Raad merkt hier nog bij op dat volgens vaste rechtspraak de kosten van een begrafenis geen noodzakelijke kosten zijn van de overledene zelf, maar behoren tot de passiva van de nalatenschap. De omstandigheid dat appellant in de afgelopen 22 jaar geen betaalde arbeid heeft kunnen verrichten en daardoor niet in staat is geweest om te reserveren voor de kosten van crematie, grafsteen en huisontruiming, maakt dit niet anders. De Raad wijst in dit verband op het zogeheten actualiteitsbeginsel dat aan de WWB ten grondslag ligt. Dit beginsel brengt mee dat bij de toepassing van de WWB geen rekening wordt gehouden met (reservering van gelden voor) toekomstige gebeurtenissen. De Raad is dan ook, met de rechtbank, van oordeel dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-11-13
Publicatiedatum
2012-11-15
Zaaknummer
12-1225 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2013/27 met annotatie van H. van Deutekom
Uitspraak

12/1225 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 februari 2012, 11/910 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B.]


het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)


Datum uitspraak 13 november 2012.


PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Appellant heeft nadere stukken ingezonden.


Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaken 10/3997 WWB en 10/7067 WWB, plaatsgevonden op 2 oktober 2012. Appellant is verschenen. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.


OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant ontvangt in aanvulling op zijn pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet, bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.


1.2. Op 5 mei 2011 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd ten behoeve van de kosten voor zijn crematie, grafsteen en huisontruiming. Appellant schat die kosten op respectievelijk € 5.000,--, € 1.000,-- en € 2.000,--. Hij heeft toegelicht dat hij zijn zaken tijdig wil regelen.


1.3. Bij besluit van 18 mei 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 juli 2011 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Het college heeft aan deze besluitvorming ten grondslag gelegd dat de kosten zich niet daadwerkelijk voordoen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat hij financieel niet in staat is zelf voor de kosten van crematie, grafsteen en huisontruiming te zorgen. De oorzaak van zijn armoede is gelegen in de omstandigheid dat hij in de afgelopen 22 jaar geen betaalde arbeid heeft kunnen verrichten, doordat de overheid hem heeft afgeschreven en tegengewerkt.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij voor de tekst van artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.


4.1. Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.


4.2. De kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd hebben zich nog niet voorgedaan. De kosten doen zich pas voor bij het overlijden van appellant. De Raad merkt hier nog bij op dat volgens vaste rechtspraak de kosten van een begrafenis geen noodzakelijke kosten zijn van de overledene zelf, maar behoren tot de passiva van de nalatenschap. De omstandigheid dat appellant in de afgelopen 22 jaar geen betaalde arbeid heeft kunnen verrichten en daardoor niet in staat is geweest om te reserveren voor de kosten van crematie, grafsteen en huisontruiming, maakt dit niet anders. De Raad wijst in dit verband op het zogeheten actualiteitsbeginsel dat aan de WWB ten grondslag ligt. Dit beginsel brengt mee dat bij de toepassing van de WWB geen rekening wordt gehouden met (reservering van gelden voor) toekomstige gebeurtenissen. De Raad is dan ook, met de rechtbank, van oordeel dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen.


4.3.Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C.H. Bangma en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2012.


(getekend) R.H.M. Roelofs


(getekend) M.R. Schuurman


SG