Centrale Raad van Beroep, 14-11-2012 / 11-67 ZW


ECLI:NL:CRVB:2012:BY3130

Inhoudsindicatie
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medische onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Op grond van de door appellant verstrekte informatie, de eigen onderzoeksbevindingen en de reeds aanwezige medische gegevens, waaronder informatie van de behandelend sector, heeft de bezwaarverzekeringsarts terecht geconcludeerd dat appellant met zijn beperkingen in staat moet worden geacht om zijn werkzaamheden als schoonmaker/toezichthouder te hervatten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2012-11-14
Publicatiedatum
2012-11-15
Zaaknummer
11-67 ZW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/67 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer


Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 december 2010, 10/5215 (aangevallen uitspraak)


Partijen:


[A. te B.]


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


Datum uitspraak 14 november 2012.


PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 17 oktober 2012. Voor appellant is verschenen mr. De Witte. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.


OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk via de Stichting Werkbij bij een voetbalclub werkzaam geweest als schoonmaker/toezichthouder in een dienstverband van 28 uur per week. Vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, heeft hij zich op 17 mei 2010 ziek gemeld met psychische klachten. Op grond daarvan is aan appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.


1.2. Op 9 juni 2010 heeft appellant het spreekuur van de bedrijfsarts E.J.E. von Bóné bezocht. Na eigen onderzoek en het inwinnen van informatie van de behandelend psycholoog van appellant is deze arts tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 16 juni 2010 geschikt is te achten voor zijn arbeid. Bij besluit van 9 juni 2010 is appellants ZW-uitkering beëindigd met ingang van 16 juni 2010.


1.3. Bij besluit van 7 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 juni 2010 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag een rapport van bezwaarverzekeringsarts R. Blanker van 7 juli 2010.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank volgde het Uwv in zijn standpunt dat appellant per 16 juni 2010 in staat was de eigen arbeid te verrichten.


3. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat zijn beperkingen zwaarder zijn dan door het Uwv is aangenomen en verwijst ter ondersteuning naar informatie van de behandelend psycholoog. Voorts is appellant van mening dat de rechtbank een onafhankelijke deskundige had moeten benoemen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Op grond van het bepaalde in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld.


4.2. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medische onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Op grond van de door appellant verstrekte informatie, de eigen onderzoeksbevindingen en de reeds aanwezige medische gegevens, waaronder informatie van de behandelend sector, heeft de bezwaarverzekeringsarts terecht geconcludeerd dat appellant met zijn beperkingen in staat moet worden geacht om zijn werkzaamheden als schoonmaker/toezichthouder te hervatten. De door appellant in beroep ingebrachte brief van 17 september 2010 van behandelend psycholoog M.K.J. Remijsen van PsyQ vormde voor de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding om een ander standpunt in te nemen. De bezwaarverzekeringsarts onderbouwde reeds in zijn rapport van 7 juli 2010 op inzichtelijke wijze dat met de gestelde diagnose matige depressie en persoonlijkheidsstoornis NAO bij het beoordelen van appellants belastbaarheid rekening was gehouden.

Voorts blijkt uit de brief van de psycholoog weliswaar dat appellant nog niet in staat bleek om deel te nemen aan de re-integratiemodule ‘Aan de Slag’ maar niet dat hij zijn arbeid, dat als eenvoudig en overzichtelijk is omschreven, niet gedurende 28 uur per week zou kunnen verrichten. Bovendien dient gelet op het bepaalde in artikel 19, vijfde lid, van de ZW de problematische verhouding met de voormalige werkgever buiten beschouwing te blijven.


4.3. Appellant heeft zijn in hoger beroep herhaalde standpunt, dat zijn klachten op 16 juni 2010 van dien aard waren dat hij niet geschikt was voor zijn arbeid niet met medische gegevens onderbouwd en verder ook geen gegevens ingebracht die reden vormen om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken.


4.4. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het Uwv het bestreden besluit heeft gebaseerd op een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek, dat een voldoende onderbouwing geeft aan de daaraan verbonden conclusies.


4.5. Hieruit volgt dat er geen aanleiding is een onafhankelijk deskundige te benoemen.


4.6. Gelet op 4.2 tot en met 4.5 slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2012.


(getekend) Ch. van Voorst


(getekend) H.J. Dekker



TM